MAW
VORMING
Hoofdstuk 1. Cultuur
CULTUUR: Het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en
normen die mensen als lid van een groep of samenleving hebben verworven. Beschaving (van
een land). Het bevordert saamhorigheid tussen de leden van een samenleving.
★ Materieel: Geld en zaken als kunstobjecten, architectuur, kleding etc.
★ Immaterieel: Taal, waarden en normen.
Culturen zijn relatief:
★ Ze zijn tijd- en plaatsgebonden:
Voorbeeld: Wat nu normaal is, is over 100 jaar heel apart. En in Afrika is de cultuur ook
heel anders dan dat het hier in Nederland is.
★ Ze veranderen onder invloed van wijzigende omstandigheden:
○ Politieke omstandigheden (in WOII was alles anders)
○ Economische omstandigheden (eerst planeconomie, nu vrijemarkteconomie)
veranderen.
Cultuur heeft 3 dimensies:
★ Ideële dimensie: De elementen die niet zo tastbaar zijn: waarden, ideeën over mens en
samenleving en levensbeschouwelijke opvattingen.
★ Normerende dimensie: Op grond van de ideeën ontstaan gewoontes, waar normen,
wetten en strafbepalingen op worden vastgesteld.
★ Materiële dimensie: In de kleding, kunst en gebouwen worden de ideeën en normen
over wat mooi, functioneel etc. is bepaald.
Functies cultuur:
1. Cultuur geeft richting aan het denken en doen en laten van mensen:
Hier zijn we tegen kinderarbeid, in India komt dit nog veel voor.
2. Cultuur is betekenisgevend:
Men leert betekenis te geven aan gedragingen en verschijnselen vanuit hun cultuur.
Door cultuur kunnen we anderen interpreteren en begrijpen en communiceren met
anderen.
3. Cultuur werkt identificerend:
Mensen vinden het fijn om bij een bepaalde cultuur of groep te horen en de daarbij
horende waarden en normen te aanvaarden.
4. Cultuur legt beperkingen op aan het gedrag:
Deviant gedrag: Afwijkend gedrag.
, Sociale controle: Het middel waarmee mensen of groepen mensen in de maatschappij
andere mensen zo onder druk zetten dat ze zich aan de algemeen geldende normen
houden. Dus checken of je buurman wel oranje draagt op koningsdag.
Subcultuur: Een cultuur die in bepaalde opzichten afwijkt van de overheersende cultuur, maar
op veel punten ingepast is in de overheersende cultuur. Ze hebben hun eigen waarden, normen,
gewoontes en regels. Er zijn verschillen tussen subcultuur van het platteland en de stad
bijvoorbeeld. Of b.v. godsdiensten
Dominante cultuur: De overheersende cultuur in een samenleving.
Tegencultuur: Contracultuur. Culturen die zich verzetten tegen de overheersende cultuur en
de daarbij horende waarden en normen. B.v. jihadisten.
Normatieve cultuur: De leden van een samenleving behoren zich te gedragen volgens hun
lidmaatschap volgens de voorschriften van hun (sub)cultuur.
Multiculturele samenleving: Een samenleving waarin veel verschillende culturen naast elkaar
bestaan. Dit komt door de buitenlanders die naar NL kwamen:
● Mensen uit ex-kolonies: Nederlands-Indië/Suriname
● Gastarbeiders: er was in NL een tekort aan arbeidskrachten (1960-1970)
● Politieke vluchtelingen: Asielzoekers: Mensen die hun land ontvluchten om te
ontkomen aan oorlog of vervolgen en die asiel aanvragen in een land.
Autochtoon: Inwoner van Nederland die hier zijn oorsprong heeft liggen.
Allochtoon:
★ CBS-definitie: Persoon van wie minstens één ouder in het buitenland is geboren.
★ Sociologische definitie: Een persoon die op grond van zijn ras of andere duidelijke
zichtbare kenmerken zich onderscheidt van de oorspronkelijke bewoners van een land.
Niet-westerse allochtonen: Allochtonen met als herkomstgroepering een van de landen in
Afrika, Latijns-Amerika en Azië(exclusief Indonesië, Japan) en Turkije.
Westerse allochtonen: Mensen met als herkomstgroepering een van de landen in Europa
(exclusief Turkije), Noord-Amerika en Oceanië, of Indonesië of Japan.
Inwoners met een Nederlandse achtergrond: Autochtoon.
Inwoners met een migratieachtergrond: Allochtoon.
Immigranten: Binnenkomende landverhuizers. Het is een reëel probleem geworden, want
Nederlanders hebben moeite met het niet aanpassen van immigranten aan onze waarden en
normen.
Inburgeringsexamen: Lost dit probleem op, het wordt georganiseerd door de Nederlandse
overheid, die buitenlanders verplicht om ervoor te zorgen dat hun kennis van de Nederlandse
taal en kennis van de Nederlandse maatschappij op een bepaald niveau zijn.
Culturele antropologie: Een wetenschap die zoekt naar kenmerkende verschillen van volkeren
en dan vooral de westerse en niet-westerse culturen met elkaar vergelijkt. B.v. verschillen in
taal of godsdienst.
Global village: De wereld wordt een groot dorp door betere transportmiddelen (auto,
vliegtuig) en nieuwe communicatiemiddelen.
, Etnocentrisme: Het centraal stellen van de eigen cultuur (waarden, normen, gewoonten) bij de
benadering en beoordeling van andere culturen.
Referentiekader: Het geheel van persoonlijke waarden, normen, kennis, ervaringen,
zienswijzen en opvattingen. Vanuit hier beoordeel en benader je de cultuur van anderen.
2 visies hoe mensen tegen culturen aankijken:
1. Cultureel relativisme: Andere culturen bekijken zonder die te beoordelen naar de
normen en waarden van de eigen cultuur, maar als iets unieks. Niet veroordelen,
probeer te begrijpen, waarden en normen van eigen cultuur zijn relatief en zijn geen
standaard, niet optreden tegen misstanden.
2. Cultureel universalisme: Er zijn bepaalde waarden die voor iedereen gelden. B.v.
vrijheid van godsdienst en gelijkwaardigheid van man en vrouw. Optreden tegen
misstanden, veel uitgaan van westerse opvattingen.
Oorzaken jongerenculturen jaren ‘50:
★ Welvaart nam toe: jongeren kregen meer zakgeld van ouders
★ Er ontstaat onder jongerenculturen een ‘wij-gevoel’. Wij zijn goed en zijn niet
★ Het is handig om je tegen ouderen af te zetten, je bent het niet met hen eens.
Generatieconflict: Jongeren verschillen van mening met oudere generaties.
*Flowerpowertijd: Jongeren verzetten zich tegen de bestaande maatschappij die om geld
draaide en ze demonstreerden tegen het optreden van Amerika in de Vietnamoorlog.
Jeugdculturen: Punkers, alto’s, gabbers, skaters, kakkers, gothics, trance, hiphoppers.
Waarden: Basisopvattingen, principes waar iemand belang aan hecht (trouw, waarheid,
netheid). Wat is goed en wat verkeerd? B.v. eerlijkheid, rechtvaardigheid, leven en dood,
milieuverantwoordelijkheid etc. Waarden samenleving zie je door:
★ Uitspraken en boodschappen van politici, opvoeders en geestelijke leiders
★ De Grondwet en de daaraan gekoppelde wetten
Normen: Geschreven en ongeschreven regels die aangeven wat er verwacht wordt in een
bepaalde situatie. Verwachtingen waaraan het gedrag van mensen wordt afgemeten, maatstaf.
Eerlijkheid is een waarde, een norm die hierbij hoort is niet stelen. B.v. op tijd zijn, beleefd zijn,
niet discrimineren etc. Ontstaan vanuit godsdienstige geboden en verboden en uit
gewoontevorming.
Individuele normen: Als mensen zelf eigen waarden en normen ontwikkelen, omdat er geen
duidelijke houvast is. Door de kerkafschaffing zijn veel normen verdwenen en daarom gingen
mensen maar zelf wat bedenken.
Algemene normen: Gebaseerd op door iedereen geaccepteerde waarden.
Gewoonten: Gedragswijzen die bijna automatisch zijn voor mensen. Dit zie je aan eetgedrag,
kleding en de manier van omgang tussen mensen.
INSTITUTIONALISERING: Het proces waarbij een complex van waarden en min of meer
geformaliseerde regels vastgelegd wordt in standaard gedragspatronen, die het gedrag van
mensen en hun onderlinge relaties reguleren.
Institutie: Een vast, collectief bepaald gedragspatroon.
VORMING
Hoofdstuk 1. Cultuur
CULTUUR: Het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en
normen die mensen als lid van een groep of samenleving hebben verworven. Beschaving (van
een land). Het bevordert saamhorigheid tussen de leden van een samenleving.
★ Materieel: Geld en zaken als kunstobjecten, architectuur, kleding etc.
★ Immaterieel: Taal, waarden en normen.
Culturen zijn relatief:
★ Ze zijn tijd- en plaatsgebonden:
Voorbeeld: Wat nu normaal is, is over 100 jaar heel apart. En in Afrika is de cultuur ook
heel anders dan dat het hier in Nederland is.
★ Ze veranderen onder invloed van wijzigende omstandigheden:
○ Politieke omstandigheden (in WOII was alles anders)
○ Economische omstandigheden (eerst planeconomie, nu vrijemarkteconomie)
veranderen.
Cultuur heeft 3 dimensies:
★ Ideële dimensie: De elementen die niet zo tastbaar zijn: waarden, ideeën over mens en
samenleving en levensbeschouwelijke opvattingen.
★ Normerende dimensie: Op grond van de ideeën ontstaan gewoontes, waar normen,
wetten en strafbepalingen op worden vastgesteld.
★ Materiële dimensie: In de kleding, kunst en gebouwen worden de ideeën en normen
over wat mooi, functioneel etc. is bepaald.
Functies cultuur:
1. Cultuur geeft richting aan het denken en doen en laten van mensen:
Hier zijn we tegen kinderarbeid, in India komt dit nog veel voor.
2. Cultuur is betekenisgevend:
Men leert betekenis te geven aan gedragingen en verschijnselen vanuit hun cultuur.
Door cultuur kunnen we anderen interpreteren en begrijpen en communiceren met
anderen.
3. Cultuur werkt identificerend:
Mensen vinden het fijn om bij een bepaalde cultuur of groep te horen en de daarbij
horende waarden en normen te aanvaarden.
4. Cultuur legt beperkingen op aan het gedrag:
Deviant gedrag: Afwijkend gedrag.
, Sociale controle: Het middel waarmee mensen of groepen mensen in de maatschappij
andere mensen zo onder druk zetten dat ze zich aan de algemeen geldende normen
houden. Dus checken of je buurman wel oranje draagt op koningsdag.
Subcultuur: Een cultuur die in bepaalde opzichten afwijkt van de overheersende cultuur, maar
op veel punten ingepast is in de overheersende cultuur. Ze hebben hun eigen waarden, normen,
gewoontes en regels. Er zijn verschillen tussen subcultuur van het platteland en de stad
bijvoorbeeld. Of b.v. godsdiensten
Dominante cultuur: De overheersende cultuur in een samenleving.
Tegencultuur: Contracultuur. Culturen die zich verzetten tegen de overheersende cultuur en
de daarbij horende waarden en normen. B.v. jihadisten.
Normatieve cultuur: De leden van een samenleving behoren zich te gedragen volgens hun
lidmaatschap volgens de voorschriften van hun (sub)cultuur.
Multiculturele samenleving: Een samenleving waarin veel verschillende culturen naast elkaar
bestaan. Dit komt door de buitenlanders die naar NL kwamen:
● Mensen uit ex-kolonies: Nederlands-Indië/Suriname
● Gastarbeiders: er was in NL een tekort aan arbeidskrachten (1960-1970)
● Politieke vluchtelingen: Asielzoekers: Mensen die hun land ontvluchten om te
ontkomen aan oorlog of vervolgen en die asiel aanvragen in een land.
Autochtoon: Inwoner van Nederland die hier zijn oorsprong heeft liggen.
Allochtoon:
★ CBS-definitie: Persoon van wie minstens één ouder in het buitenland is geboren.
★ Sociologische definitie: Een persoon die op grond van zijn ras of andere duidelijke
zichtbare kenmerken zich onderscheidt van de oorspronkelijke bewoners van een land.
Niet-westerse allochtonen: Allochtonen met als herkomstgroepering een van de landen in
Afrika, Latijns-Amerika en Azië(exclusief Indonesië, Japan) en Turkije.
Westerse allochtonen: Mensen met als herkomstgroepering een van de landen in Europa
(exclusief Turkije), Noord-Amerika en Oceanië, of Indonesië of Japan.
Inwoners met een Nederlandse achtergrond: Autochtoon.
Inwoners met een migratieachtergrond: Allochtoon.
Immigranten: Binnenkomende landverhuizers. Het is een reëel probleem geworden, want
Nederlanders hebben moeite met het niet aanpassen van immigranten aan onze waarden en
normen.
Inburgeringsexamen: Lost dit probleem op, het wordt georganiseerd door de Nederlandse
overheid, die buitenlanders verplicht om ervoor te zorgen dat hun kennis van de Nederlandse
taal en kennis van de Nederlandse maatschappij op een bepaald niveau zijn.
Culturele antropologie: Een wetenschap die zoekt naar kenmerkende verschillen van volkeren
en dan vooral de westerse en niet-westerse culturen met elkaar vergelijkt. B.v. verschillen in
taal of godsdienst.
Global village: De wereld wordt een groot dorp door betere transportmiddelen (auto,
vliegtuig) en nieuwe communicatiemiddelen.
, Etnocentrisme: Het centraal stellen van de eigen cultuur (waarden, normen, gewoonten) bij de
benadering en beoordeling van andere culturen.
Referentiekader: Het geheel van persoonlijke waarden, normen, kennis, ervaringen,
zienswijzen en opvattingen. Vanuit hier beoordeel en benader je de cultuur van anderen.
2 visies hoe mensen tegen culturen aankijken:
1. Cultureel relativisme: Andere culturen bekijken zonder die te beoordelen naar de
normen en waarden van de eigen cultuur, maar als iets unieks. Niet veroordelen,
probeer te begrijpen, waarden en normen van eigen cultuur zijn relatief en zijn geen
standaard, niet optreden tegen misstanden.
2. Cultureel universalisme: Er zijn bepaalde waarden die voor iedereen gelden. B.v.
vrijheid van godsdienst en gelijkwaardigheid van man en vrouw. Optreden tegen
misstanden, veel uitgaan van westerse opvattingen.
Oorzaken jongerenculturen jaren ‘50:
★ Welvaart nam toe: jongeren kregen meer zakgeld van ouders
★ Er ontstaat onder jongerenculturen een ‘wij-gevoel’. Wij zijn goed en zijn niet
★ Het is handig om je tegen ouderen af te zetten, je bent het niet met hen eens.
Generatieconflict: Jongeren verschillen van mening met oudere generaties.
*Flowerpowertijd: Jongeren verzetten zich tegen de bestaande maatschappij die om geld
draaide en ze demonstreerden tegen het optreden van Amerika in de Vietnamoorlog.
Jeugdculturen: Punkers, alto’s, gabbers, skaters, kakkers, gothics, trance, hiphoppers.
Waarden: Basisopvattingen, principes waar iemand belang aan hecht (trouw, waarheid,
netheid). Wat is goed en wat verkeerd? B.v. eerlijkheid, rechtvaardigheid, leven en dood,
milieuverantwoordelijkheid etc. Waarden samenleving zie je door:
★ Uitspraken en boodschappen van politici, opvoeders en geestelijke leiders
★ De Grondwet en de daaraan gekoppelde wetten
Normen: Geschreven en ongeschreven regels die aangeven wat er verwacht wordt in een
bepaalde situatie. Verwachtingen waaraan het gedrag van mensen wordt afgemeten, maatstaf.
Eerlijkheid is een waarde, een norm die hierbij hoort is niet stelen. B.v. op tijd zijn, beleefd zijn,
niet discrimineren etc. Ontstaan vanuit godsdienstige geboden en verboden en uit
gewoontevorming.
Individuele normen: Als mensen zelf eigen waarden en normen ontwikkelen, omdat er geen
duidelijke houvast is. Door de kerkafschaffing zijn veel normen verdwenen en daarom gingen
mensen maar zelf wat bedenken.
Algemene normen: Gebaseerd op door iedereen geaccepteerde waarden.
Gewoonten: Gedragswijzen die bijna automatisch zijn voor mensen. Dit zie je aan eetgedrag,
kleding en de manier van omgang tussen mensen.
INSTITUTIONALISERING: Het proces waarbij een complex van waarden en min of meer
geformaliseerde regels vastgelegd wordt in standaard gedragspatronen, die het gedrag van
mensen en hun onderlinge relaties reguleren.
Institutie: Een vast, collectief bepaald gedragspatroon.