Staat = als er een gemeenschap is van mensen op een bepaald grondgebied,
waarover een organisatie het hoogste gezag uitoefent.
Kenmerken van een staat
- Grondgebied = territorium (grond, zee lucht)
- Hoogste gezag
- Gemeenschap van mensen
- Erkenning door andere landen
Geweldsmonopolie = alleen het hoogste gezag van de staat mag geweld
gebruiken.
Staat
Grondgebied, gemeenschap en hoogste gezag.
Overheid.
Soeverein = zelfstandige en ondeelbare staat.
Rechtspersoon = zelfstandig drager van rechten en plichten en als staatsmacht
kan optreden in NL en andere landen.
Staat als in overheid:
Zorgt voor bescherming van de burgers door de landsgrenzen te
verdedigen en de orde te handhaven.
Zorgt ervoor dat het algemeen belang (= datgene wat in het belang is
van de meeste burgers van de staat) wordt gediend.
Algemeen belang:
- Inrichting van de staat en verdeling van bevoegdheden
- Wetgeving
- Bestuur
- Rechtspraak
Publiekrecht:
Strafrecht: vervolging en bestraffing rechtspersonen
Staatsrecht: inrichting van de staat, optreden van de overheid,
grondrechten
Bestuursrecht: wijze waarop overheid de samenleving bestuurt
Hoofdlijnen staatsrecht:
- Inrichting van de staat en verdeling van bevoegdheden
- Handhaving individuele vrijheden van de burger
- Rechtspraak en rechtsbescherming tegen de overheid
- Totstandkoming, gelding en handhaving van het recht
Koninkrijk der Nederlanden:
- Indonesië (1945) en Suriname (1975) zijn onafhankelijk geworden
- Nederlandse Antillen op 10-10-10 opgeheven
- Landen binnen het koninkrijk: Aruba (al zelfstandig sinds 1986), St.
Maarten en Curaçao
- Bijzondere gemeenten (art. 134 GW): Saba, St. Eustasius, Bonaire (heten
samen Caribisch Nederland)
,Rijkswet = wetten die van toepassing zijn in het gehele Koninkrijk der
Nederlanden.
Rechtspositie = geheel van rechten en plichten.
Nederlanderschap:
1. Het recht om in Nederland te verblijven
2. Exterritoriale werking strafrecht = ook van toepassing op
Nederlanders die buiten het Koninkrijk misdrijven plegen.
3. Diplomatieke bescherming = Nederlandse vertegenwoordigers zorgen
ervoor dat de gevangene goed wordt behandeld door een buitenlandse
staat.
4. Geen uitlevering Nederlanders…, tenzij art. 4 Uitleveringswet.
5. Nederlanders vallen ook in het buitenland onder de AWB. (personen- en
familierecht, erfrecht)
6. Actief- en passief kiesrecht.
7. Openbare functies, zoals burgermeester.
8. Aanspraak op voorzieningen of uitkeringen.
Vreemdeling (art. 1 lid 1 Rijkswet) = hij die de Nederlandse nationaliteit niet
bezit.
Heeft eerste zeven rechten NIET.
Nederlandse nationaliteit:
Door ouders
Adoptie
Derde generatie = in Nederland geboren kind van niet-Nederlandse ouders die
in Nederland zijn geboren Rechtswege (automatisch).
Tweede generatie = vreemdeling (jongeren tussen 18 en 25 jaar) die in
Nederland is geboren en hier sindsdien woont Optieverklaring op het
gemeentehuis, naturalisatieverzoek bij minister van Veiligheid en Justitie
naturalisatietoets.
Identificatieplicht = De wettelijke verplichting om in bepaalde situaties de
identiteit van een persoon vast te stellen.
Koppelingsbeginsel (art. 10 lid 1 Vw) = een vreemdeling die niet rechtmatig
in Nederland verblijft, kan geen aanspraak maken op toekenning van
verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen.
1. Visum = document dat je het recht geeft om naar een bepaald land te
reizen of daar te verblijven.
Max. 3 maanden
2. Machtiging tot voorlopig verblijf = document voor een langer verblijf
dan 3 maanden.
3. Verblijfsvergunning = officiële toestemming om (enige tijd) in een
bepaald land te wonen.
, 4. Verblijfsvergunning asiel = vanwege een bedreigende situatie of
slechte economische omstandigheden in hun eigen land.
Grondrecht = fundamenteel recht dat in beginsel door de staat ten opzichte van
de burger gerespecteerd moet worden.
Constitutie/staatsregeling = de rechtsregels die het staatsgezag en de
organisatie van de staat vastleggen.
Bronnen van staatsrecht:
Statuut
Regelt de organisatie van het Koninkrijk en de onderlinge verhoudingen en
samenwerking tussen Nederland en de overzeese delen van het Koninkrijk.
Grondwet
Regelt de inrichting en het functioneren van de Nederlandse staat en de
staatsorganen en de verdeling van de staatsmacht.
(organieke) wetten en besluiten, reglementen
Als de grondwet bepaalt dat iets geregeld moet worden in een wet in formele zin
(een wet van de regering en de Staten-Generaal).
Gewoonterecht
Ongeschreven regels.
Verdragen en Europese maatregelen
Jurisprudentie
Rechtersrecht.