Module 8: conjunctuur en economisch beleid
Hoofdstuk 1 De conjunctuurbeweging
§1 De economische conjunctuur
Conjunctuur = stand van de economie
Trendmatige groei = de gemiddelde groei van de afgelopen 10 jaar
Recessie = wanneer er 2 kwartalen achter elkaar sprake is van een economische daling
Depressie = wanneer er 3 of meer kwartalen achter elkaar sprake is van economische daling
Economische daling wanneer het BBP onder 0 is
Conjunctuurindicatoren → onderdelen in de economie die een indicatie geven over de stand
van de economie
• Proclynisch → beweegt mee met de algehele conjunctuur
• Anticyclisch → beweegt tegen de algehele conjunctuur in → voorbeeld: werkloosheid
§2 de stand van de economie
Gevolgen hoog- en laagconjunctuur:
• (onvrijwillige)werkloosheid
• Overheidsfinanciën → uitkeringen, subsidies, belastinginkomsten
o Waardevaste uitkeringen
o Welvaartsvaste uitkeringen
• Internationale handel → wereldwijde economie
§3 Wisselkoersen
Wisselkoers = waarde van valuta uitgedrukt i andere valuta
• €/$ koers → prijs in dollars die je voor een euro moet betalen
• €/$ = 1,30 → voor 1 euro moet je 1,30 dollar betalen
Ontstaan van de waarde van een koers:
• Uitgagspunt £/€ = 1,12
• Vraag naar ponden neemt toe
• Vraaglijn naar rechts
• Bij gelijk aanbod → stijgt koers van pond/euro
• Pond apprecieert
£/€ = 1,12 → €/£ = 1:1,12 = 0,90
Na vraagstijging → £/€ = 1,20 → €/£ = 1:1,20 = 0,83
Appreciatie = waarde van een valuta (uitgedrukt in een andere valuta) stijgt
Depreciatie = waarde van een valuta (uitgedrukt in een andere valuta) daalt
Variabele/zwevende wisselkoers = vraag en aanbod bepalen de wisselkoers
Vaste wisselkoers = wanneer er 2 valuta’s aan elkaar gekoppeld worden, er is geen fluctuatie
tussen de valuta’s → Deense kroon en euro
§4 De wisselkoers en de betalingsbalans
Apple ontwerp een nieuwe iPhone → mensen in Nederland willen die vanuit de VS kopen →
VS wil betaald worden in dollars → vraag naar dollars stijgt → wisselkoers $/€ stijgt
(apprecieert) (aanbod in euro’s stijgt)
Aandelen van Ahold stijgen → mensen in Japan willen deze kopen → betaald in euro’s →
vraag naar euro’s stijgt (aanbod Yen stijgt) → wisselkoers €/¥ stijgt
, Zwevende wisselkoers heeft dempende werking op de betalingsbalans → omdat de
wisselkoers €/¥ stijgt bij verkoop van aandelen moet er dus steeds meer yens worden
betaald voor €1 → 1 aandeel kost steeds meer yens --. minder mensen in Japan kopen nog
aandelen van Ahold → inkomsten op de betalingsbalans worden gedempt
Hoofdstuk 2 De verklaring van de conjunctuurbeweging
§1 Proloog + §2 Geaggregeerd aanbod en geaggregeerde vraag + §3 Trendmatige groei
Verklaring van de conjunctuurbeweging → macro-economische vraag en aanbod:
• Geaggregeerde vraag → totale vraag naar producten in een land → consumenten,
producenten, overheid en buitenland → altijd dalende lijn
• Geaggregeerde aanbod → totale aanbod naar producten in een land → NBP → LTGA
en KTGA
LTGA → productieomvang in een land gelijk/stabiel
↪ beperkte hoeveelheid en kwaliteit van de productiefactoren
↪ Natuurlijke productieomvang → maximaal haalbare productie
Bron 8:
Macro-economisch evenwicht bij punt A
Langetermijngroeipad: lijn door A,C en D
A Uitgangspunt
B Natuurlijke productieomvang verschuift van Y2008 naar Y2011 → bijv. technologische
vooruitgang → bij een gelijke vraag kan er meer geproduceerd/gekocht worden tegen een
lagere prijs
C G.V. neemt toe → door toenemende productie → meer arbeid nodig om te produceren →
hogere lonen → G.V. → of meer vraag vanuit buitenland
Hoofdstuk 1 De conjunctuurbeweging
§1 De economische conjunctuur
Conjunctuur = stand van de economie
Trendmatige groei = de gemiddelde groei van de afgelopen 10 jaar
Recessie = wanneer er 2 kwartalen achter elkaar sprake is van een economische daling
Depressie = wanneer er 3 of meer kwartalen achter elkaar sprake is van economische daling
Economische daling wanneer het BBP onder 0 is
Conjunctuurindicatoren → onderdelen in de economie die een indicatie geven over de stand
van de economie
• Proclynisch → beweegt mee met de algehele conjunctuur
• Anticyclisch → beweegt tegen de algehele conjunctuur in → voorbeeld: werkloosheid
§2 de stand van de economie
Gevolgen hoog- en laagconjunctuur:
• (onvrijwillige)werkloosheid
• Overheidsfinanciën → uitkeringen, subsidies, belastinginkomsten
o Waardevaste uitkeringen
o Welvaartsvaste uitkeringen
• Internationale handel → wereldwijde economie
§3 Wisselkoersen
Wisselkoers = waarde van valuta uitgedrukt i andere valuta
• €/$ koers → prijs in dollars die je voor een euro moet betalen
• €/$ = 1,30 → voor 1 euro moet je 1,30 dollar betalen
Ontstaan van de waarde van een koers:
• Uitgagspunt £/€ = 1,12
• Vraag naar ponden neemt toe
• Vraaglijn naar rechts
• Bij gelijk aanbod → stijgt koers van pond/euro
• Pond apprecieert
£/€ = 1,12 → €/£ = 1:1,12 = 0,90
Na vraagstijging → £/€ = 1,20 → €/£ = 1:1,20 = 0,83
Appreciatie = waarde van een valuta (uitgedrukt in een andere valuta) stijgt
Depreciatie = waarde van een valuta (uitgedrukt in een andere valuta) daalt
Variabele/zwevende wisselkoers = vraag en aanbod bepalen de wisselkoers
Vaste wisselkoers = wanneer er 2 valuta’s aan elkaar gekoppeld worden, er is geen fluctuatie
tussen de valuta’s → Deense kroon en euro
§4 De wisselkoers en de betalingsbalans
Apple ontwerp een nieuwe iPhone → mensen in Nederland willen die vanuit de VS kopen →
VS wil betaald worden in dollars → vraag naar dollars stijgt → wisselkoers $/€ stijgt
(apprecieert) (aanbod in euro’s stijgt)
Aandelen van Ahold stijgen → mensen in Japan willen deze kopen → betaald in euro’s →
vraag naar euro’s stijgt (aanbod Yen stijgt) → wisselkoers €/¥ stijgt
, Zwevende wisselkoers heeft dempende werking op de betalingsbalans → omdat de
wisselkoers €/¥ stijgt bij verkoop van aandelen moet er dus steeds meer yens worden
betaald voor €1 → 1 aandeel kost steeds meer yens --. minder mensen in Japan kopen nog
aandelen van Ahold → inkomsten op de betalingsbalans worden gedempt
Hoofdstuk 2 De verklaring van de conjunctuurbeweging
§1 Proloog + §2 Geaggregeerd aanbod en geaggregeerde vraag + §3 Trendmatige groei
Verklaring van de conjunctuurbeweging → macro-economische vraag en aanbod:
• Geaggregeerde vraag → totale vraag naar producten in een land → consumenten,
producenten, overheid en buitenland → altijd dalende lijn
• Geaggregeerde aanbod → totale aanbod naar producten in een land → NBP → LTGA
en KTGA
LTGA → productieomvang in een land gelijk/stabiel
↪ beperkte hoeveelheid en kwaliteit van de productiefactoren
↪ Natuurlijke productieomvang → maximaal haalbare productie
Bron 8:
Macro-economisch evenwicht bij punt A
Langetermijngroeipad: lijn door A,C en D
A Uitgangspunt
B Natuurlijke productieomvang verschuift van Y2008 naar Y2011 → bijv. technologische
vooruitgang → bij een gelijke vraag kan er meer geproduceerd/gekocht worden tegen een
lagere prijs
C G.V. neemt toe → door toenemende productie → meer arbeid nodig om te produceren →
hogere lonen → G.V. → of meer vraag vanuit buitenland