Aantekeningen bij het boek Orthopedagogiek
Hoofdstuk 1:
Orthopedagogiek is een discipline (=leer)
Theorieën:
Probleemspecifieke theorieën (deelorthopedagogiek). Soms gaan
deze over het individuele geval en soms over een groep van
soortgelijke gevallen. En theorieën over alle mensen samen
Basistheorie. Centrale categorie over hulpvraag en hulpverlening.
Vormen een soort theoretisch kader over meer specifieke
problemen.
Metaniveau (theoretische orthopedagogiek). Gaat over kwaliteit,
geldigheid van theorieën en over de bruikbaarheid van
methoderegels in de orthopedagogiek. Dit kan leiden tot nieuwe
uitgangspunten in de discipline. Functioneert als een soort geweten
voor onderzoek in de discipline.
Hoofdstuk 2:
Vroeger was er nog weinig kennis over mentale en lichamelijke
stoornissen. Als de artsen er niet uitkwamen wat een kind bezielde, werd
het kind bestempeld als ‘idioot.’ Van 1855 tot 1920 was er een
idiotenschool, waar kinderen met zulke problemen gebracht konden
worden. Toen rond 1910 het speciaal onderwijs zich in Nederland
ontwikkelde, stierf deze school uit.
Cluster-4 scholen voor leerlingen met ernstige beperkingen zijn ontstaan in
1998 ~
Cluster 1: scholen voor leerlingen met visuele beperkingen en
eventueel een meervoudige beperking.
Cluster 2: scholen voor dove en slechthorende kinderen, kinderen
met ernstige spraak/taalmoeilijkheden en kinderen met een stoornis
in het autistisch spectrum, waarbij de nadruk ligt op (gebrekkige)
communicatie.
Cluster 3: scholen voor zeer moeilijk lerende kinderen, scholen voor
leerlingen met lichamelijke en/of verstandelijke beperkingen, of
meervoudig gehandicapte kinderen met één van deze beperkingen,
scholen voor langdurig zieke kinderen en scholen voor leerlingen
met epilepsie.
Cluster 4: scholen voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen, langdurig
zieke kinderen zonder een lichamelijke beperking en scholen die
verbonden zijn aan pedologische instituten.
Scholen uit cluster 1 bundelen hun deskundigheid in een Regionaal
Expertise Centrum (REC).
In België hanteren ze 8 schooltypen bij het Buitengewoon Onderwijs:
Type 1: voor leerlingen met een lichte mentale handicap.
, Type 2: voor kinderen en adolescenten met een matige of ernstige
mentale handicap
Type 3: voor leerlingen met ernstige emotionele en/of
gedragsproblemen.
Type 4: voor leerlingen met een fysieke/motorische handicap.
Type 5: voor zieke kinderen (die zijn opgenomen).
Type 6: voor leerlingen met een visuele handicap.
Type 7: voor leerlingen met een auditieve handicap.
Type 8: voor normaal begaafde leerlingen met een ernstige
leerstoornis (het enige type zonder secundair onderwijs).
Er is nog altijd een debat gaande over wat nou beter is: integratie of
segregatie van kinderen met een beperking.
Wat men in een samenleving verstaat onder ‘een handicap’ is negotiable.
Het is door tijd aan verandering onderhevig.
Tot slot:
Orthopedagogiek is in twee kanten in een dialoog verwikkeld (in haar
ontwikkeling). Enerzijds was er de praktijk waarin steeds hogere eisen
werden gesteld aan de beantwoording van opvoedingsvragen. Anderzijds
was er een strijd om erkenning als een wetenschap met een eigen object
en eigen methoden waarmee de verzamelde kennis op een
wetenschappelijke wijze verantwoord kon worden.
Hoofdstuk 3:
Zie pagina 66 voor de kenmerken van een opvoedingsimpasse.
Eerstelijnszorg: huisarts, vrijgevestigde orthopedagoog of een een
psycholoog.
Tweedelijnszorg: als iemand met zwaardere psychische klachten rondloopt
(angsten, depressies, verslavingsproblemen). Hier werken
gespecialiseerde hulpverleners, zoals psychotherapeuten en psychiaters.
Derdelijnszorg: als de problematiek zo complex is. Centra voor kinder- en
jeugdpsychiatrie.
Handelen:
Intentioneel handelen: hier is een vorm van reflectie aanwezig.
Functioneel handelen: geen reflectie; we doen het ‘gewoon’ →
gedrag
Drie kenmerken van menselijk handelen (De Ruyter):
Optreden vanuit een bepaalde zekerheid.
Op een overwogen wijze doen en laten en zichzelf daarvan
rekenschap geven.
Optreden in de verwachting van een bepaalde afloop.
→ De term handelen impliceert dat er sprake is van intenties, plannen,
verwachtingen en overtuigingen die leiden tot verschillende manieren om
te sturen. De mens handelt in een situatie die bestaat uit een samenspel
, van biologische, sociale en culturele factoren als een een onlosmakelijk
deel ervan. Mensen zijn selectief in hun waarneming en geven er een
eigen betekenis en waardering aan.
→ De zekerheid bij het handelen is niet vastgelegd in instinctieve
patronen. Onzekerheid is eigen aan menselijk handelen. (een keuze kan
een vergissing blijken te zijn)
Verhaal
Mensen ontlenen steun aan een verhaal (mythe) waar ze samen in
geloven.
Sociale bindingstheorie (Hirschi) → een sterke binding van een individu
met zijn sociale omgeving verkleint de kans op het overtreden van de
regels.
Opvoedingsproblemen ontstaan in de wisselwerking tussen kind en
opvoeders, binnen verschillende contexten van de samenleving.
Protoprofessionalisering → de leek leert de taal van de hulpverlener
kennen en gaat dit spreken. Dit hangt samen met een toenemend
algemeen ontwikkelingsniveau van de samenleving. Het verschijnsel dat
hiermee samenhangt is een groeiende vraag naar professionele hulp, wat
vervolgens weer leidt tot een groter aanbod van hulp.
Protoprofessionalisering → meer vraag naar professionele hulp → groter
aanbod van hulp
Behaviorisme → maakt duidelijk hoe leerprocessen kunnen leiden tot sterk
ingeslepen gedragspatronen.
Transactioneel model (uitgebreider besproken in hoofdstuk 5) → hierin
komt tot uitdrukking dat het menselijk gedrag tot stand komt in een
dynamische wisselwerking tussen aanleg, omgeving, neurologische en
cognitieve processen. Deze invloeden gaan twee kanten op: de omgeving
beinvloedt iemands gedrag, maar iemands gedrag beinvloedt ook de
omgeving. Zo liggen ook neurologische condities ten grondslag aan
gedrag, maar leiden gedragsveranderingen ook tot aanpassingen in
neurobiologische condities en blijkt het brein flexibel.
Alle mogelijkheden (van vrijheid) in het optreden van mensen:
Handelen Gedrag
Weloverwogen handelen Regelgeleid gedrag
Regelgeleid handelen Routine gedrag
Gewoonte gedrag
Impulsief gedrag
Instinctief gedrag
Reflexmatig gedrag
Hoofdstuk 1:
Orthopedagogiek is een discipline (=leer)
Theorieën:
Probleemspecifieke theorieën (deelorthopedagogiek). Soms gaan
deze over het individuele geval en soms over een groep van
soortgelijke gevallen. En theorieën over alle mensen samen
Basistheorie. Centrale categorie over hulpvraag en hulpverlening.
Vormen een soort theoretisch kader over meer specifieke
problemen.
Metaniveau (theoretische orthopedagogiek). Gaat over kwaliteit,
geldigheid van theorieën en over de bruikbaarheid van
methoderegels in de orthopedagogiek. Dit kan leiden tot nieuwe
uitgangspunten in de discipline. Functioneert als een soort geweten
voor onderzoek in de discipline.
Hoofdstuk 2:
Vroeger was er nog weinig kennis over mentale en lichamelijke
stoornissen. Als de artsen er niet uitkwamen wat een kind bezielde, werd
het kind bestempeld als ‘idioot.’ Van 1855 tot 1920 was er een
idiotenschool, waar kinderen met zulke problemen gebracht konden
worden. Toen rond 1910 het speciaal onderwijs zich in Nederland
ontwikkelde, stierf deze school uit.
Cluster-4 scholen voor leerlingen met ernstige beperkingen zijn ontstaan in
1998 ~
Cluster 1: scholen voor leerlingen met visuele beperkingen en
eventueel een meervoudige beperking.
Cluster 2: scholen voor dove en slechthorende kinderen, kinderen
met ernstige spraak/taalmoeilijkheden en kinderen met een stoornis
in het autistisch spectrum, waarbij de nadruk ligt op (gebrekkige)
communicatie.
Cluster 3: scholen voor zeer moeilijk lerende kinderen, scholen voor
leerlingen met lichamelijke en/of verstandelijke beperkingen, of
meervoudig gehandicapte kinderen met één van deze beperkingen,
scholen voor langdurig zieke kinderen en scholen voor leerlingen
met epilepsie.
Cluster 4: scholen voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen, langdurig
zieke kinderen zonder een lichamelijke beperking en scholen die
verbonden zijn aan pedologische instituten.
Scholen uit cluster 1 bundelen hun deskundigheid in een Regionaal
Expertise Centrum (REC).
In België hanteren ze 8 schooltypen bij het Buitengewoon Onderwijs:
Type 1: voor leerlingen met een lichte mentale handicap.
, Type 2: voor kinderen en adolescenten met een matige of ernstige
mentale handicap
Type 3: voor leerlingen met ernstige emotionele en/of
gedragsproblemen.
Type 4: voor leerlingen met een fysieke/motorische handicap.
Type 5: voor zieke kinderen (die zijn opgenomen).
Type 6: voor leerlingen met een visuele handicap.
Type 7: voor leerlingen met een auditieve handicap.
Type 8: voor normaal begaafde leerlingen met een ernstige
leerstoornis (het enige type zonder secundair onderwijs).
Er is nog altijd een debat gaande over wat nou beter is: integratie of
segregatie van kinderen met een beperking.
Wat men in een samenleving verstaat onder ‘een handicap’ is negotiable.
Het is door tijd aan verandering onderhevig.
Tot slot:
Orthopedagogiek is in twee kanten in een dialoog verwikkeld (in haar
ontwikkeling). Enerzijds was er de praktijk waarin steeds hogere eisen
werden gesteld aan de beantwoording van opvoedingsvragen. Anderzijds
was er een strijd om erkenning als een wetenschap met een eigen object
en eigen methoden waarmee de verzamelde kennis op een
wetenschappelijke wijze verantwoord kon worden.
Hoofdstuk 3:
Zie pagina 66 voor de kenmerken van een opvoedingsimpasse.
Eerstelijnszorg: huisarts, vrijgevestigde orthopedagoog of een een
psycholoog.
Tweedelijnszorg: als iemand met zwaardere psychische klachten rondloopt
(angsten, depressies, verslavingsproblemen). Hier werken
gespecialiseerde hulpverleners, zoals psychotherapeuten en psychiaters.
Derdelijnszorg: als de problematiek zo complex is. Centra voor kinder- en
jeugdpsychiatrie.
Handelen:
Intentioneel handelen: hier is een vorm van reflectie aanwezig.
Functioneel handelen: geen reflectie; we doen het ‘gewoon’ →
gedrag
Drie kenmerken van menselijk handelen (De Ruyter):
Optreden vanuit een bepaalde zekerheid.
Op een overwogen wijze doen en laten en zichzelf daarvan
rekenschap geven.
Optreden in de verwachting van een bepaalde afloop.
→ De term handelen impliceert dat er sprake is van intenties, plannen,
verwachtingen en overtuigingen die leiden tot verschillende manieren om
te sturen. De mens handelt in een situatie die bestaat uit een samenspel
, van biologische, sociale en culturele factoren als een een onlosmakelijk
deel ervan. Mensen zijn selectief in hun waarneming en geven er een
eigen betekenis en waardering aan.
→ De zekerheid bij het handelen is niet vastgelegd in instinctieve
patronen. Onzekerheid is eigen aan menselijk handelen. (een keuze kan
een vergissing blijken te zijn)
Verhaal
Mensen ontlenen steun aan een verhaal (mythe) waar ze samen in
geloven.
Sociale bindingstheorie (Hirschi) → een sterke binding van een individu
met zijn sociale omgeving verkleint de kans op het overtreden van de
regels.
Opvoedingsproblemen ontstaan in de wisselwerking tussen kind en
opvoeders, binnen verschillende contexten van de samenleving.
Protoprofessionalisering → de leek leert de taal van de hulpverlener
kennen en gaat dit spreken. Dit hangt samen met een toenemend
algemeen ontwikkelingsniveau van de samenleving. Het verschijnsel dat
hiermee samenhangt is een groeiende vraag naar professionele hulp, wat
vervolgens weer leidt tot een groter aanbod van hulp.
Protoprofessionalisering → meer vraag naar professionele hulp → groter
aanbod van hulp
Behaviorisme → maakt duidelijk hoe leerprocessen kunnen leiden tot sterk
ingeslepen gedragspatronen.
Transactioneel model (uitgebreider besproken in hoofdstuk 5) → hierin
komt tot uitdrukking dat het menselijk gedrag tot stand komt in een
dynamische wisselwerking tussen aanleg, omgeving, neurologische en
cognitieve processen. Deze invloeden gaan twee kanten op: de omgeving
beinvloedt iemands gedrag, maar iemands gedrag beinvloedt ook de
omgeving. Zo liggen ook neurologische condities ten grondslag aan
gedrag, maar leiden gedragsveranderingen ook tot aanpassingen in
neurobiologische condities en blijkt het brein flexibel.
Alle mogelijkheden (van vrijheid) in het optreden van mensen:
Handelen Gedrag
Weloverwogen handelen Regelgeleid gedrag
Regelgeleid handelen Routine gedrag
Gewoonte gedrag
Impulsief gedrag
Instinctief gedrag
Reflexmatig gedrag