Vroeg-moderne geschiedenis.
College 1:
Professor Roorda: 2 problemen m.b.t. historische kennis:
- Doorgaans bijzonder schamel, in het bijzonder m.b.t. de verder terugliggende
tijdvakken.
- Historische kennis wordt als onaanvechtbaar, onomstreden en onproblematisch
gezien, te weinig oog ervoor dat:
De historische werkelijkheid bijzonder complex is en ons beeld van het verleden afhangt van
de interpretatie van bronnen.
Ancien Regime = oude staatkundige bestel/voormalige bestel, gezien vanuit de Franse
Revolutie.
Versus
Vroegmoderne tijd.
Deze periode wordt op beide manieren aangeduid, ligt eraan of je nadruk legt op continuïteit
of discontinuïteit.
Periodisering I: op grond van belangrijke gebeurtenissen, jaartallen, evenementen.
1453: val Oost-Romeinse rijk en einde Honderdjarige oorlog.
1492: ontdekking van de nieuwe wereld (Amerika).
1517: begin van de Reformatie begin splitsing van de kerk.
Mogelijk einde vroegmoderne tijd julirevolutie van 1830, of het jaar 1848 (Liberalisme),
Bismarck in 1871 (hij verenigde Duitsland). 1914 begin eerste wereldoorlog. 1917:
Communistische (oktober)Revolutie onder leiding van Lenin.
Er zijn verschillende visies op de periodisering van geschiedenis.
Johan Huizinga (1872-1945) heeft altijd iets kunstmatigs. Het is iets wat wij mensen op de
tijd plakken, de tijd gaat zijn eigen gang. Het is gewoon puur een ordeningsprincipe. Het is
volgens ons principe om zaken op te delen periodisering.
Periodisering II: op grond van langere termijn processen.
1) Cultureel proces: Renaissance (wedergeboorte), Italië ca. 1300-1500.
Tijd tussen Oudheid en Renaissance = Media Tempestas of Medium Aevum: Alleen de tijd
is doorgelopen, maar er is niets van belang gebeurd.
Renaissance = tijdperk van opbloei van letteren, kunsten en wetenschappen.
Basis: heroriëntering op de klassieke Oudheid.
Kernpunten: de herontdekking door de mens van zichzelf en de wereld waarin hij leeft.
Verbreiding Renaissance:
- 1300/1350 Italië
- Rond 1450 Frankrijk
- Rond 1500 Duitsland
- Rond 1550 Nederlanden en Engeland
- Rond 1600 Scandinavië
,2) Sociaal-economisch proces: nadruk op vernieuwingen in productieproces en
handelsverkeer.
(op weg naar) vroeg-Kapitalisme.
3) Politiek: proces van staatsvorming.
Centraal (belangrijk in vroegmoderne geschiedenis) bestuurde (met behulp van ambtenaren
en ministers), territoriale vorstendommen.
Hoe was de Nieuwe tijd? natuurlijk in alles voortkomend uit de middeleeuwen.
Huizinga: De Renaissance was wat betreft Noord-Europa niet zozeer de komst van iets
nieuws, maar veeleer het verdwijnen van het oude. Wegslijten van middeleeuwse vormen in
het cultuurleven.
Citaat: “de late middeleeuwen niet als de aankondiging van het komende, maar als het
afsterven van wat heengaat”.
Late middeleeuwen is niet zo primitief als vaak gedacht, maar 16de eeuw ook niet
zomaar zonder middeleeuwse trekken.
Renaissance = niet een aparte periode, maar = versnelling, een kentering in de stroom
van de ME naar de Nieuwe tijd. Deze visie nog algemeen onderschreven.
Veel meer continuïteit.
Nieuwe Tijd kwam voort uit de middeleeuwse standenmaatschappij tot 16de en 17de eeuw:
ongelijkheid was normaal.
God heeft de verschillende sociale groepen in een door Hem gewilde hiërarchie
ondergebracht: Geestelijkheid – Adel – Derde Stand Bidden – beschermen – werken.
Stand of staat: groep met een bepaalde functie in de maatschappij, vaak bepaald door
geboorte met zekere, specifieke juridische en/of sociale rechten en plichten met eigen
levensstijl, deugden, eer, idealen en daaraan verbonden status of prestige.
Kenmerken van de middeleeuwen of: Hoe zag Europa er aan het begin van de Nieuwe
Tijd uit (ca. 1450/1500)?
- Relatief gesloten, traditionele maatschappij (cultureel-mentaal).
- Maatschappij bestaande uit 3 standen.
- Agrarisch-ambachtelijke maatschappij.
- Feodalisme.
- Onverdeelde christenheid (religieus-uniform: vóór de Reformatie).
- Supranationale machten: Keizer en Paus.
- Regionaal/lokaal gericht op economisch gebied (gilden).
- Weinig kennis van de buiten-Europese wereld, beperkt wereldbeeld: vóór de
ontdekkingsreizen.
- Nog niet onderverdeeld in staten met scherpe landsgrenzen, nog geen
regeringen met gevestigd gezag: vóór Nieuwe Monarchieën, absolutisme.
Rond 1450 juist begin van periode van bloei, na eeuw van rampen, pest en oorlogen!
Rond 1450: weer enige bevolkingstoename.
Vanuit middeleeuwen waren ook tijdens het diepe dal tussen 1320 en 1450 een aantal
symptomen van vooruitgang intact gebleven:
- Stedelijk leven.
- Geldeconomie ( uitholling heerlijk stelsel).
- Aanzetten tot kapitalistische productie (maar gilden en heerlijke instellingen tot aan
Franse Revolutie op veel plaatsen intact).
- Ononderbroken handelsverkeer van Middellandse Zee naar Noordzee en Oostzee.
Ook al vraag naar luxe producten die niet ter plaatse geproduceerd werden.
, Waarom toch niet vanaf ca. 1500 een verdere ontwikkeling langs de lijnen van een
middeleeuwse ontwikkeling à la 1320?
Versnelde veranderingen vanaf ca. 1450. Ten gevolge van 5 factoren:
1) ontdekkingen + gevolgen
2) Reformatie + gevolgen
3) technologische vooruitgang
4) verbreiding van nieuwe inzichten
5) cumulatief effect van 1 + 2 + 3 + 4
“het geheel is meer dan de som der delen”
Revolutie in de christelijke kerk 1300-1600.
Rol van de kerk binnen de maatschappij, op het leven neemt af.
Proces van secularisatie tot nu toe.
1300 Europa = in de eerste plaats één godsdienstige gemeenschap
Één christelijke leer en één, het grootste deel van Europa omspannende, katholieke kerk
(katholiek = letterlijk: algemeen).
1600 godsdienst = een van de factoren te midden van vele andere + verdeeld in katholieken
en protestanten.
Blijvende scheuring tot op de dag van vandaag.
Luther (1483-1546):
31 oktober 1517: Augustijner monnik en professor Maarten Luther slaat 95 stellingen aan de
deuren van de slotkerk te Wittenberg in Saksen (achterhaalde overlevering; was beneden
waardigheid van een hoogleraar; waarschijnlijk in brief aan de bisschop).
= begin van de reformatie.
95 stellingen tegen het misbruik van de aflaat.
Door geld te geven voor de bouw van de St. Pieter in Rome - een goed werk – kreeg men
een aflaat, een kwijtschelding van verblijf in het vagevuur.
Paus Leo X doet Luther in de kerkelijke ban.
Politieke factoren van groot belang voor slagen van Reformatie.
Bescherming door de keurvorst ingegeven door strijd van de vorsten binnen het Duitse Rijk
tegen de keizer. In geval van overwinning van de keizer(één geloof) = versterking van het
centrale gezag.
Luther kiest uiteindelijk definitief de kant van de landsvorsten Landeskirchen.
Nederlaag voor Karel V: Vrede van Augsburg (1555; cuius regio, eius religio) tot
1618.
1618-1648: strijd van de vorsten versus de keizer én van protestantisme versus
katholicisme.
Bereikt afgrijselijk dieptepunt tijdens de Dertigjarige Oorlog.
Niet alleen: politieke factoren van groot belang voor slagen van Reformatie.
Maar ook omgekeerd: Reformatie had grote gevolgen voor politiek-bestuurlijke
geschiedenis.
- Godsdienstoorlogen
Duitse Rijk
Nederlanden
Frankrijk
Engeland
College 1:
Professor Roorda: 2 problemen m.b.t. historische kennis:
- Doorgaans bijzonder schamel, in het bijzonder m.b.t. de verder terugliggende
tijdvakken.
- Historische kennis wordt als onaanvechtbaar, onomstreden en onproblematisch
gezien, te weinig oog ervoor dat:
De historische werkelijkheid bijzonder complex is en ons beeld van het verleden afhangt van
de interpretatie van bronnen.
Ancien Regime = oude staatkundige bestel/voormalige bestel, gezien vanuit de Franse
Revolutie.
Versus
Vroegmoderne tijd.
Deze periode wordt op beide manieren aangeduid, ligt eraan of je nadruk legt op continuïteit
of discontinuïteit.
Periodisering I: op grond van belangrijke gebeurtenissen, jaartallen, evenementen.
1453: val Oost-Romeinse rijk en einde Honderdjarige oorlog.
1492: ontdekking van de nieuwe wereld (Amerika).
1517: begin van de Reformatie begin splitsing van de kerk.
Mogelijk einde vroegmoderne tijd julirevolutie van 1830, of het jaar 1848 (Liberalisme),
Bismarck in 1871 (hij verenigde Duitsland). 1914 begin eerste wereldoorlog. 1917:
Communistische (oktober)Revolutie onder leiding van Lenin.
Er zijn verschillende visies op de periodisering van geschiedenis.
Johan Huizinga (1872-1945) heeft altijd iets kunstmatigs. Het is iets wat wij mensen op de
tijd plakken, de tijd gaat zijn eigen gang. Het is gewoon puur een ordeningsprincipe. Het is
volgens ons principe om zaken op te delen periodisering.
Periodisering II: op grond van langere termijn processen.
1) Cultureel proces: Renaissance (wedergeboorte), Italië ca. 1300-1500.
Tijd tussen Oudheid en Renaissance = Media Tempestas of Medium Aevum: Alleen de tijd
is doorgelopen, maar er is niets van belang gebeurd.
Renaissance = tijdperk van opbloei van letteren, kunsten en wetenschappen.
Basis: heroriëntering op de klassieke Oudheid.
Kernpunten: de herontdekking door de mens van zichzelf en de wereld waarin hij leeft.
Verbreiding Renaissance:
- 1300/1350 Italië
- Rond 1450 Frankrijk
- Rond 1500 Duitsland
- Rond 1550 Nederlanden en Engeland
- Rond 1600 Scandinavië
,2) Sociaal-economisch proces: nadruk op vernieuwingen in productieproces en
handelsverkeer.
(op weg naar) vroeg-Kapitalisme.
3) Politiek: proces van staatsvorming.
Centraal (belangrijk in vroegmoderne geschiedenis) bestuurde (met behulp van ambtenaren
en ministers), territoriale vorstendommen.
Hoe was de Nieuwe tijd? natuurlijk in alles voortkomend uit de middeleeuwen.
Huizinga: De Renaissance was wat betreft Noord-Europa niet zozeer de komst van iets
nieuws, maar veeleer het verdwijnen van het oude. Wegslijten van middeleeuwse vormen in
het cultuurleven.
Citaat: “de late middeleeuwen niet als de aankondiging van het komende, maar als het
afsterven van wat heengaat”.
Late middeleeuwen is niet zo primitief als vaak gedacht, maar 16de eeuw ook niet
zomaar zonder middeleeuwse trekken.
Renaissance = niet een aparte periode, maar = versnelling, een kentering in de stroom
van de ME naar de Nieuwe tijd. Deze visie nog algemeen onderschreven.
Veel meer continuïteit.
Nieuwe Tijd kwam voort uit de middeleeuwse standenmaatschappij tot 16de en 17de eeuw:
ongelijkheid was normaal.
God heeft de verschillende sociale groepen in een door Hem gewilde hiërarchie
ondergebracht: Geestelijkheid – Adel – Derde Stand Bidden – beschermen – werken.
Stand of staat: groep met een bepaalde functie in de maatschappij, vaak bepaald door
geboorte met zekere, specifieke juridische en/of sociale rechten en plichten met eigen
levensstijl, deugden, eer, idealen en daaraan verbonden status of prestige.
Kenmerken van de middeleeuwen of: Hoe zag Europa er aan het begin van de Nieuwe
Tijd uit (ca. 1450/1500)?
- Relatief gesloten, traditionele maatschappij (cultureel-mentaal).
- Maatschappij bestaande uit 3 standen.
- Agrarisch-ambachtelijke maatschappij.
- Feodalisme.
- Onverdeelde christenheid (religieus-uniform: vóór de Reformatie).
- Supranationale machten: Keizer en Paus.
- Regionaal/lokaal gericht op economisch gebied (gilden).
- Weinig kennis van de buiten-Europese wereld, beperkt wereldbeeld: vóór de
ontdekkingsreizen.
- Nog niet onderverdeeld in staten met scherpe landsgrenzen, nog geen
regeringen met gevestigd gezag: vóór Nieuwe Monarchieën, absolutisme.
Rond 1450 juist begin van periode van bloei, na eeuw van rampen, pest en oorlogen!
Rond 1450: weer enige bevolkingstoename.
Vanuit middeleeuwen waren ook tijdens het diepe dal tussen 1320 en 1450 een aantal
symptomen van vooruitgang intact gebleven:
- Stedelijk leven.
- Geldeconomie ( uitholling heerlijk stelsel).
- Aanzetten tot kapitalistische productie (maar gilden en heerlijke instellingen tot aan
Franse Revolutie op veel plaatsen intact).
- Ononderbroken handelsverkeer van Middellandse Zee naar Noordzee en Oostzee.
Ook al vraag naar luxe producten die niet ter plaatse geproduceerd werden.
, Waarom toch niet vanaf ca. 1500 een verdere ontwikkeling langs de lijnen van een
middeleeuwse ontwikkeling à la 1320?
Versnelde veranderingen vanaf ca. 1450. Ten gevolge van 5 factoren:
1) ontdekkingen + gevolgen
2) Reformatie + gevolgen
3) technologische vooruitgang
4) verbreiding van nieuwe inzichten
5) cumulatief effect van 1 + 2 + 3 + 4
“het geheel is meer dan de som der delen”
Revolutie in de christelijke kerk 1300-1600.
Rol van de kerk binnen de maatschappij, op het leven neemt af.
Proces van secularisatie tot nu toe.
1300 Europa = in de eerste plaats één godsdienstige gemeenschap
Één christelijke leer en één, het grootste deel van Europa omspannende, katholieke kerk
(katholiek = letterlijk: algemeen).
1600 godsdienst = een van de factoren te midden van vele andere + verdeeld in katholieken
en protestanten.
Blijvende scheuring tot op de dag van vandaag.
Luther (1483-1546):
31 oktober 1517: Augustijner monnik en professor Maarten Luther slaat 95 stellingen aan de
deuren van de slotkerk te Wittenberg in Saksen (achterhaalde overlevering; was beneden
waardigheid van een hoogleraar; waarschijnlijk in brief aan de bisschop).
= begin van de reformatie.
95 stellingen tegen het misbruik van de aflaat.
Door geld te geven voor de bouw van de St. Pieter in Rome - een goed werk – kreeg men
een aflaat, een kwijtschelding van verblijf in het vagevuur.
Paus Leo X doet Luther in de kerkelijke ban.
Politieke factoren van groot belang voor slagen van Reformatie.
Bescherming door de keurvorst ingegeven door strijd van de vorsten binnen het Duitse Rijk
tegen de keizer. In geval van overwinning van de keizer(één geloof) = versterking van het
centrale gezag.
Luther kiest uiteindelijk definitief de kant van de landsvorsten Landeskirchen.
Nederlaag voor Karel V: Vrede van Augsburg (1555; cuius regio, eius religio) tot
1618.
1618-1648: strijd van de vorsten versus de keizer én van protestantisme versus
katholicisme.
Bereikt afgrijselijk dieptepunt tijdens de Dertigjarige Oorlog.
Niet alleen: politieke factoren van groot belang voor slagen van Reformatie.
Maar ook omgekeerd: Reformatie had grote gevolgen voor politiek-bestuurlijke
geschiedenis.
- Godsdienstoorlogen
Duitse Rijk
Nederlanden
Frankrijk
Engeland