C2, Voortplanting.
Voortplantingsstelsel van een man.
De teelballen of testes produceren vanaf de puberteit tot op hoge leeftijd elke
dag vele miljoenen zaadcellen. De teelballen liggen in een huidplooi: de balzak.
De tempratuur in de balzak is ongeveer twee graden lager dan die in de
buikholte, dit is gunstig voor de ontwikkeling van de zaadcellen.
De teelballen bevatten sterk gekronkelde zaadkanaaltjes. De wandcellen van de
zaadkanaaltjes delen zich voortdurend, waardoor de zaadcelmoedercellen
ontstaan. Na deling van de zaadcelmoedercellen ontstaan cellen die zich tot
zaadcellen ontwikkelen. De zaadcelkanaaltjes lopen door tot is de bijballen, die
op de teelballen liggen. In het zure milieu van de bijballen zijn de zaadcellen
bewegingloos. De zaadcellen worden er tijdelijk opgeslagen.
De zwellichamen van de penis bevatten veel holten. Als de slagadertjes in de
penis zich verwijden vullen deze holten zich met bloed waardoor de penis groter
en stijf word (erectie) Dit gebeurt onder invloed van seksuele prikkels, waarvoor
de eikel erg gevoelig is.
Bij geslachtsgemeenschap brengt een man zijn penis in de vagina van een vrouw.
De penis is dan in erectie. Door de bewegingen van man en vrouw word de penis
op en neer bewogen, dit kan leiden tot een zaadlozing bij de man. De zaadcellen
worden door spierbewegingen van de zaadleiders voortgestuwd, vanuit de
bijballen langs de zaadblaasjes en de prostaat. De zaadblaasjes voegen vocht toe
dat basisch is en dat zaadcellen actief maakt. De prostaat voegt vocht toe dat
voedingsstoffen voor de zaadcellen bevat. Het mengsel van zaadcellen en vocht
word sperma genoemd. Tijdens een zaadlozing verlaten 100 tot 400 miljoen
zaadcellen het lichaam. Sperma bestaat dus uit:
zaadcellen (spermacellen) uit de teelballen.
basisch vocht uit de zaadblaasjes dat de zaadcellen actief maakt.
vocht met voedingsstoffen afkomstig uit de prostaat.
Bij de prostaat komen de zaadleiders uit in de urinebuis die door de penis loopt.
Door de spierbewegingen komt het sperma met schokken uit de penis, dit geeft
een orgasme. Onder de voorhuid word smeer geproduceerd. Dit moet goed
weggewassen worden. In sommige volkeren wordt de voorhuid weggesneden
(besnijdenis).
Primaire geslachtskenmerken: zijn reeds vanaf de geboorte te zien:
testes
bijbal
penis met zwellichamen
prostaat met zaadblaasjes
,Secundaire geslachtskenmerken: Ontwikkelen zich gedurende de puberteit
onder invloed van hormonen (testosteron):
lichaamsbeharing
zwaardere stem
oksel- en schaamhaar
zaadlozing
Deze secundaire geslachtskenmerken ontwikkelen zich onder invloed van het
hormoon testosteron.
nummer naam functie van het deel
1 zaadleider vervoert zaadcellen
2 zwellichaam brengt de penis in erectie
3 penis brengt sperma in een vagina
4 urinebuis vervoert urine en sperma
5 eikel vangt seksuele prikkels op
6 zaadblaasje produceert basisch vocht dat de zaadcellen
activeert
7 prostaat produceert vocht met voedingsstoffen voor de
zaadcellen
8 bijbal opslag van zaadcellen
9 teelbal produceert zaadcellen
, Voortplantingsstelsel van een vrouw.
In de eierstokken of ovaria vindt de ontwikkeling plaats van de eicellen. Bij de
geboorte zijn in de eierstokken al alle cellen aanwezig die zich tot eicel kunnen
ontwikkelen. Elk van deze cellen is omgeven door een laag andere cellen, samen
vormen ze een jonge follikel.
Vanaf de puberteit tot aan de overgang kunnen in de eierstokken follikels rijpen.
In een rijpende follikel ontstaat een holte gevuld met vocht. Ondertussen komt in
de toekomstige eicel de ontwikkeling op gang. Als de follikel rijp is, puilt deze
buiten de eierstok uit. De follikel neemt nu erg veel vocht op, waardoor ze
openbarst en de eicel wordt uitgestoten. Dit heet de ovulatie. Het follikelweefsel
wat in de eierstok achterblijft, wordt het gele lichaam genoemd. De vrijgekomen
eicel wordt door het trechtervormige uiteinde van de eileider opgevangen. Als er
na 12 uur geen bevruchting heeft plaatsgevonden, wordt de eicel afgebroken. De
resten worden door de wand van de eileider opgenomen.
Na de zaadlozing van de man bewegen de zaadcellen zich met behulp van hun
zweepstaart in de richting van de baarmoeder en eileiders. In de
baarmoedermond komt een slijmprop voor die basisch is en ook het milieu in de
baarmoeder is basisch. Hierdoor kunnen zaadcellen goed bewegen. De
bevruchting van een eicel voor een zaadcel vindt plaats in een eileider. De kop
van de zaadcel dringt door het celmembraan van de eicel. Zodra de kop van de
zaadcel is binnengedrongen, vormt de eicel een bevruchtingsmembraan waar
geen andere zaadcellen meer doorheen kunnen. Als er wel meer binnendringen
sterft de eicel snel. Bij de bevruchting versmelten de kernen van eicel en zaadcel.
Direct na de bevruchting deelt de bevruchte eicel (zygote) zich een aantal keren.
Het klompje dat zo ontstaat beweegt mee door de eileider. De eileider mond uit
in de baarmoeder. Deze bestaat uit een dikke gespierde wand bekleed met
slijmvlies. Het klompje cellen nestelt zich in het baarmoederslijmvlies en onttrekt
er voedingstoffen aan.
De verdere groei en ontwikkeling van het embryo vinden plaats in de
baarmoeder. Na drie maanden heeft ze de placenta ontwikkeld, waar uitwisseling
van het bloed van de moeder en bloed van het embryo plaatsvindt. Na ongeveer
38 weken word het kind geboren.
Bij de meeste vrouwen is de vagina niet of weinig gevoelig voor seksuele
prikkels, de meesten krijgen een orgasme door prikkeling van de clitoris. In de
wand van de kleine schaamlippen liggen klieren die slijm produceren. De vagina
is aan de binnenkant gekleed met slijmvlies. Vooraan in de vagina vormt dit
slijmvlies een plooi die de vagina gedeeltelijk afsluit. Dit word het maagdenvlies
genoemt.
Primaire geslachtskenmerken: zijn reeds vanaf de geboorte te zien:
Voortplantingsstelsel van een man.
De teelballen of testes produceren vanaf de puberteit tot op hoge leeftijd elke
dag vele miljoenen zaadcellen. De teelballen liggen in een huidplooi: de balzak.
De tempratuur in de balzak is ongeveer twee graden lager dan die in de
buikholte, dit is gunstig voor de ontwikkeling van de zaadcellen.
De teelballen bevatten sterk gekronkelde zaadkanaaltjes. De wandcellen van de
zaadkanaaltjes delen zich voortdurend, waardoor de zaadcelmoedercellen
ontstaan. Na deling van de zaadcelmoedercellen ontstaan cellen die zich tot
zaadcellen ontwikkelen. De zaadcelkanaaltjes lopen door tot is de bijballen, die
op de teelballen liggen. In het zure milieu van de bijballen zijn de zaadcellen
bewegingloos. De zaadcellen worden er tijdelijk opgeslagen.
De zwellichamen van de penis bevatten veel holten. Als de slagadertjes in de
penis zich verwijden vullen deze holten zich met bloed waardoor de penis groter
en stijf word (erectie) Dit gebeurt onder invloed van seksuele prikkels, waarvoor
de eikel erg gevoelig is.
Bij geslachtsgemeenschap brengt een man zijn penis in de vagina van een vrouw.
De penis is dan in erectie. Door de bewegingen van man en vrouw word de penis
op en neer bewogen, dit kan leiden tot een zaadlozing bij de man. De zaadcellen
worden door spierbewegingen van de zaadleiders voortgestuwd, vanuit de
bijballen langs de zaadblaasjes en de prostaat. De zaadblaasjes voegen vocht toe
dat basisch is en dat zaadcellen actief maakt. De prostaat voegt vocht toe dat
voedingsstoffen voor de zaadcellen bevat. Het mengsel van zaadcellen en vocht
word sperma genoemd. Tijdens een zaadlozing verlaten 100 tot 400 miljoen
zaadcellen het lichaam. Sperma bestaat dus uit:
zaadcellen (spermacellen) uit de teelballen.
basisch vocht uit de zaadblaasjes dat de zaadcellen actief maakt.
vocht met voedingsstoffen afkomstig uit de prostaat.
Bij de prostaat komen de zaadleiders uit in de urinebuis die door de penis loopt.
Door de spierbewegingen komt het sperma met schokken uit de penis, dit geeft
een orgasme. Onder de voorhuid word smeer geproduceerd. Dit moet goed
weggewassen worden. In sommige volkeren wordt de voorhuid weggesneden
(besnijdenis).
Primaire geslachtskenmerken: zijn reeds vanaf de geboorte te zien:
testes
bijbal
penis met zwellichamen
prostaat met zaadblaasjes
,Secundaire geslachtskenmerken: Ontwikkelen zich gedurende de puberteit
onder invloed van hormonen (testosteron):
lichaamsbeharing
zwaardere stem
oksel- en schaamhaar
zaadlozing
Deze secundaire geslachtskenmerken ontwikkelen zich onder invloed van het
hormoon testosteron.
nummer naam functie van het deel
1 zaadleider vervoert zaadcellen
2 zwellichaam brengt de penis in erectie
3 penis brengt sperma in een vagina
4 urinebuis vervoert urine en sperma
5 eikel vangt seksuele prikkels op
6 zaadblaasje produceert basisch vocht dat de zaadcellen
activeert
7 prostaat produceert vocht met voedingsstoffen voor de
zaadcellen
8 bijbal opslag van zaadcellen
9 teelbal produceert zaadcellen
, Voortplantingsstelsel van een vrouw.
In de eierstokken of ovaria vindt de ontwikkeling plaats van de eicellen. Bij de
geboorte zijn in de eierstokken al alle cellen aanwezig die zich tot eicel kunnen
ontwikkelen. Elk van deze cellen is omgeven door een laag andere cellen, samen
vormen ze een jonge follikel.
Vanaf de puberteit tot aan de overgang kunnen in de eierstokken follikels rijpen.
In een rijpende follikel ontstaat een holte gevuld met vocht. Ondertussen komt in
de toekomstige eicel de ontwikkeling op gang. Als de follikel rijp is, puilt deze
buiten de eierstok uit. De follikel neemt nu erg veel vocht op, waardoor ze
openbarst en de eicel wordt uitgestoten. Dit heet de ovulatie. Het follikelweefsel
wat in de eierstok achterblijft, wordt het gele lichaam genoemd. De vrijgekomen
eicel wordt door het trechtervormige uiteinde van de eileider opgevangen. Als er
na 12 uur geen bevruchting heeft plaatsgevonden, wordt de eicel afgebroken. De
resten worden door de wand van de eileider opgenomen.
Na de zaadlozing van de man bewegen de zaadcellen zich met behulp van hun
zweepstaart in de richting van de baarmoeder en eileiders. In de
baarmoedermond komt een slijmprop voor die basisch is en ook het milieu in de
baarmoeder is basisch. Hierdoor kunnen zaadcellen goed bewegen. De
bevruchting van een eicel voor een zaadcel vindt plaats in een eileider. De kop
van de zaadcel dringt door het celmembraan van de eicel. Zodra de kop van de
zaadcel is binnengedrongen, vormt de eicel een bevruchtingsmembraan waar
geen andere zaadcellen meer doorheen kunnen. Als er wel meer binnendringen
sterft de eicel snel. Bij de bevruchting versmelten de kernen van eicel en zaadcel.
Direct na de bevruchting deelt de bevruchte eicel (zygote) zich een aantal keren.
Het klompje dat zo ontstaat beweegt mee door de eileider. De eileider mond uit
in de baarmoeder. Deze bestaat uit een dikke gespierde wand bekleed met
slijmvlies. Het klompje cellen nestelt zich in het baarmoederslijmvlies en onttrekt
er voedingstoffen aan.
De verdere groei en ontwikkeling van het embryo vinden plaats in de
baarmoeder. Na drie maanden heeft ze de placenta ontwikkeld, waar uitwisseling
van het bloed van de moeder en bloed van het embryo plaatsvindt. Na ongeveer
38 weken word het kind geboren.
Bij de meeste vrouwen is de vagina niet of weinig gevoelig voor seksuele
prikkels, de meesten krijgen een orgasme door prikkeling van de clitoris. In de
wand van de kleine schaamlippen liggen klieren die slijm produceren. De vagina
is aan de binnenkant gekleed met slijmvlies. Vooraan in de vagina vormt dit
slijmvlies een plooi die de vagina gedeeltelijk afsluit. Dit word het maagdenvlies
genoemt.
Primaire geslachtskenmerken: zijn reeds vanaf de geboorte te zien: