Paragraaf 1, het product
De materiële eigenschappen zijn de eigenschappen die in het product zelf aanwezig zijn
(zoals vorm, gewicht, smaak en capaciteit) en de eigenschappen die de producent heeft
toegevoegd (zoals verpakking en service).
De immateriële eigenschappen zijn de eigenschappen die de consument aan het product
verbindt, bijvoorbeeld status, imago, exclusiviteit en goede naam. Reclame is hierbij van
grote invloed.
Er wordt gesproken van de volgende eigenschappen:
★ Kwaliteit → gedeeltelijk subjectief, afhankelijk van de eisen en oordeel van gebruiker.
★ Vormgeving → voor veel producten geen grote rol, wel bijvoorbeeld bij kleding.
★ Verpakking → Technisch en commercieel aspect
○ Technisch aspect: noodzaak om een product te verpakken vanuit
bescherming oogpunt.
○ Commerciële aspect: verpakking wordt gebruikt om aandacht van publiek te
trekken (vaak belangrijker dan technische)
★ Garantie en service → garantie is van belang bij duurzame goederen en
serviceverlening speelt ook een grote rol.
, Paragraaf 2, Merk
D.m.v. een merk onderscheidt een product zich van vergelijkbare producten van
concurrenten.
Soorten merken:
★ A-merk → is een bekend merk, staat meestal ook goed bekend. Afnemer wilt voor
een product meer betalen. A-merken hebben vaak een groot marktaandeel
★ B-merk → minder bekend dan een A-merk. Product is goedkoper en is op minder
plaatsen te koop.
★ Paraplumerk → alle producten worden onder één naam op de markt gebracht
(bijvoorbeeld Philips, Apple). Kan zowel A- als B-merk zijn.
★ Private label → product wordt in opdracht van een derde (bijv. een winkelketen)
gemaakt. Opdrachtgever kiest zelf een merknaam. PL’s zijn vaak B-merken al
kunnen ze worden gemaakt door de fabrikant van een A-merk.
★ Huismerk → producten onder eigen naam van de detaillist (supermarkten)
Paragraaf 3, Levenscyclus
Wanneer een nieuw product op de markt komt, neemt de afzet meestal langzaam toe.
Bij de levenscyclus worden er vijf fases onderscheiden.
Fase 1: Introductiefase
De introductiefase is de meest kritieke fase in de levenscyclus. De vraag is of het product zal
aanslaan. De producten wilt de ontwikkelingskosten snel terugverdienen → prijs is meestal
hoger dan in latere fasen.
Fase 2: Groeifase
De omzet neemt snel toe en de prijs daalt omdat productie op grotere schaal
kostenvoordelen heeft. De onderneming breidt aantal varianten van het product uit en
verbetert, indien nodig.
Fase 3: Rijpheidsfase
Er is nog wel groei in de afzet, maar tempo begint af te nemen. De onderneming brengt nog
meer varianten in op de markt. Prijs daalt, ook vanwege concurrentie, maar kosten van
promotie nemen toe. Winst is nog stijgend, maar neemt na deze fase af.
Fase 4: Verzadigingsfase
Groei van het product is er vrijwel uit. Prijs blijft stabiel, maar winst daalt beetje. Concurrentie
is hevig, wegens geen groei.
Fase 5: Neergangsfase
Omzet neemt snel af en winst daalt fors. Aantal varianten verminderd, evenals het aantal
verkoopplaatsen. Promotie-uitgaven worden tot een laag niveau gebracht.
De levensduur per product is verschillend. In de levensmiddelenbranche mislukt het grootste
deel van de producten al in de groeifase. Andere hebben een levensduur van een aantal
jaren.