Fiscale Economie.
H1. Algemene aspecten.
De belangrijkste inkomensbron voor de schatkist is de belastingopbrengst. Dit noemt men de
budgettaire functie van belastingen. Daarnaast heb je de instrumentele functie van
belastingen, een middel om een bepaald sociaal of economisch doel te bereiken. Denk aan het
progressieve tarief, belastingsfaciliteiten voor ondernemers en de kostenaftrek voor
werknemers die met de trein gaan.
Nederland kent vele soorten belastingen: inkomstenbelasting, loonbelasting,
vennootschapsbelasting, omzetbelasting, onroerendezaakbelasting, erfbelasting,
schenkbelasting, kansspelbelasting, motorrijtuigenbelasting, overdrachtsbelasting en
hondenbelasting. Tussen een aantal ervan bestaat samenhang. Zo is de loonbelasting een
voorheffing op de te betalen inkomstenbelasting.
Draagkrachtbeginsel: deze zegt dat de belastingheffing dwingend afhangt van iemand
mogelijkheid om belasting te betalen. Denk aan de loon- en inkomstenbelasting.
Profijtbeginsel: hierbij is de gedachte dat je belasting moet betalen omdat je gebaat bent bij
de activiteiten van de overheid. Zoals motorrijtuigenbelasting.
In de Wet IB (Inkomstenbelasting) 2001 onderscheiden we 3 soorten inkomens:
1. Het inkomen uit werk en woning (box 1). Deze is belast tegen een progressief tarief.
Hierin is belast; het inkomen uit onderneming, dienstbetrekking en uit de koopwoning
die tot hoofdverblijf dient. Belast zijn de werkelijke inkomsten behalve bij de eigen
woning.
2. Het inkomen uit aanmerkelijk belang. Deze is steeds belast tegen 25%. Het is het
inkomen behaald met een belang van minimaal 5% in een BV of NV. Belast zijn de
werkelijke inkomsten zoals dividenden.
3. Het (fictieve) inkomen uit sparen en beleggen. Deze is steeds belast tegen 30%. Het
betreft het inkomen uit vermogen, zoals uit spaarrekeningen en effecten. Een
belastingplichtige is steeds 1,2% verschuldigd over kort gezegd zijn vermogen in een
jaar. Het inkomen wordt namelijk gesteld op 4% van de waard van dat vermogen op 1
januari en het tarief over dit fictieve inkomen bedraagt 30%.
Vermogensrendementsheffing: belast het inkomen uit sparen en beleggen op fictieve wijze.
Dit rendement is gesteld op 4%. Bij iedere belastingplichtige is een bepaald deel van zijn
vermogen vrijgesteld: het heffingsvrije vermogen.
De Wet IB 2001 houdt ook rekening met persoonlijke omstandigheden, terug te vinden in:
• De heffingskorting: een korting op de belasting en/of premies volksverzekeringen
die iemand moet betalen. Het is dus een belastingaftrek die ervoor zorgt dat een deel
van het inkomen onbelast blijft.
• De persoonsgebonden aftrek: deze impliceert een inkomensaftrek voor uitgaven die
zijn gedaan in verband met de persoonlijke situatie van een belastingplichtige.
Bijvoorbeeld bij uitgaven als alimentatie of levensonderhoud van kinderen.
De Wet IB 2001 is opgedeeld in drie inkomensboxen met elk zijn eigenschappen.
Box 1. (Inkomen uit werk Box 2. (Inkomen uit Box 3. (Inkomen uit sparen
en woning) aanmerkelijk belang) en beleggen).
Winst uit onderneming Voordelen aanmerkelijk Sparen en beleggen
Loon Eigen woning belang
ROW
Uitkeringen/verstrekkingen
, Bepaalde inkomensbestanddelen kunnen in meerder boxen vallen. Zoals een woning, dit is
een bezitting in box 3. Als het echter een eigen woning is, valt het in box 1. Er is daarom een
rangorderegeling: het eerst genoemde wetsartikel gaat voor. Dus box 1 gaat vóór box 2 en
box 2 gaat weer vóór box 3. De allocatie van schulden vindt plaats aan de hand van de vraag
waarvoor de schuld is aangegaan. De schulden volgen de bezittingen, wat betekent dat als de
bezitting in box 1 valt, de schuld hier ook in valt.
Een kenmerk van een analytisch stelsel is dat tussen de boxen – op enkele uitzonderingen na -
schotten staan. Dit betekent dat een negatief inkomen (een verlies) in bv. box 1 niet te
verrekenen is met een positief inkomen in box 3. Op dit principe bestaan twee uitzonderingen:
- De persoonsgebonden aftrek wordt ‘over de boxen heen’ verrekend. Eerst in mindering
op het box 1-inkomen. Dit kan echter niet tot een box 1-verlies leiden. Daarna box 3 en
tot slot box 2. Als er dan nog een bedrag overblijft, schuift het naar het volgende jaar.
- Deze uitzondering betreft een verlies uit aanmerkelijk belang in box 2. 25% van dit
verlies is onder omstandigheden toch verrekenbaar met de verschuldigde belasting over
het box 1-inkomen.
Het fiscale inkomen uit de eigen woning wordt gevormd door het eigenwoningforfait minus
de renten op de schuld van de eigen woning. Indien een belastingplichtige een eigen woning
bezit, wordt deze bezitting niet in box 3 maar in box 1 in aanmerking genomen. De inkomst
van de eigen woning wordt forfaitair berekend over de waarde van de ontroerende zaak. Dit
noemen we het eigenwoningforfait.
De eigenwoningwaarde van de woning is de volgens de ‘Wet waardering onroerende zaken’
(WOZ) vastgestelde waarde. De grootste uitzondering op het forfait wordt gevormd door de
financieringskosten van de woning die apart in aftrek mogen worden gebracht. Bij een
hypothecaire lening is de rente op deze lening aftrekbaar van het box 1-inkomen tegen het
progressieve tarief. Om voor de renteaftrek in aanmerking te komen, moet er dus sprake zijn
van een eigen woning en moet er sprake zijn van een schuld aangegaan ter verwerving van de
woning.
Met het eigenwoningforfait worden de nettovoordelen op forfaitaire wijze bepaald. Dit
betekent dat in het eigenwoningforfait de kosten die voor de eigen woning zijn gemaakt, zijn
opgenomen. Het gaat om de kosten die de eigenaar moet maken voor zijn woning: onderhoud,
afschrijvingen, verzekeringen en onroerendezaakbelasting. Er zijn echtere enkele kosten
waarmee niet op forfaitaire wijze rekening mee is gehouden en die daarom aftrekbaar zijn.
Daartoe behoren de renten van schulden die direct verband houden met en zijn aangegaan ter
verwerving van de eigen woning.
Bijleenregeling: Volgens deze regeling moet de overwaarde (ook wel eigenwoningreserve
genoemd) die vrijkomt bij de verkoop van de woning weer geïnvesteerd worden in de
volgende koopwoning. Gebeurt dat niet, dan is er geen renteaftrek mogelijk over het
leningbedrag ter grootte van die overwaarde. Dit deel van de lening verhuist naar box 3.
Het is mogelijk om bepaalde inkomensbestanddelen van de ene partner te belasten bij de
andere. Een partner kan inhouden: de echtgenoot, de geregistreerde partner, of ongehuwde
meerderjarigen die een woonadres delen en samen een kind hebben/een notarieel
samenlevingscontract hebben afgesloten/ze als partners aangemeld zijn voor een
pensioenregeling/ze allebei eigenaar zijn van de woning die het hoofdverblijf is. Overigens
kan er ook een fiscale partnerrelatie tussen en ouder een en kind ontstaan als het kind
minimaal 27 jaar is. Het zijn van fiscaal partner kan een voordeel zijn indien één van beide
partners wel inkomen heeft en de ander niet.
H1. Algemene aspecten.
De belangrijkste inkomensbron voor de schatkist is de belastingopbrengst. Dit noemt men de
budgettaire functie van belastingen. Daarnaast heb je de instrumentele functie van
belastingen, een middel om een bepaald sociaal of economisch doel te bereiken. Denk aan het
progressieve tarief, belastingsfaciliteiten voor ondernemers en de kostenaftrek voor
werknemers die met de trein gaan.
Nederland kent vele soorten belastingen: inkomstenbelasting, loonbelasting,
vennootschapsbelasting, omzetbelasting, onroerendezaakbelasting, erfbelasting,
schenkbelasting, kansspelbelasting, motorrijtuigenbelasting, overdrachtsbelasting en
hondenbelasting. Tussen een aantal ervan bestaat samenhang. Zo is de loonbelasting een
voorheffing op de te betalen inkomstenbelasting.
Draagkrachtbeginsel: deze zegt dat de belastingheffing dwingend afhangt van iemand
mogelijkheid om belasting te betalen. Denk aan de loon- en inkomstenbelasting.
Profijtbeginsel: hierbij is de gedachte dat je belasting moet betalen omdat je gebaat bent bij
de activiteiten van de overheid. Zoals motorrijtuigenbelasting.
In de Wet IB (Inkomstenbelasting) 2001 onderscheiden we 3 soorten inkomens:
1. Het inkomen uit werk en woning (box 1). Deze is belast tegen een progressief tarief.
Hierin is belast; het inkomen uit onderneming, dienstbetrekking en uit de koopwoning
die tot hoofdverblijf dient. Belast zijn de werkelijke inkomsten behalve bij de eigen
woning.
2. Het inkomen uit aanmerkelijk belang. Deze is steeds belast tegen 25%. Het is het
inkomen behaald met een belang van minimaal 5% in een BV of NV. Belast zijn de
werkelijke inkomsten zoals dividenden.
3. Het (fictieve) inkomen uit sparen en beleggen. Deze is steeds belast tegen 30%. Het
betreft het inkomen uit vermogen, zoals uit spaarrekeningen en effecten. Een
belastingplichtige is steeds 1,2% verschuldigd over kort gezegd zijn vermogen in een
jaar. Het inkomen wordt namelijk gesteld op 4% van de waard van dat vermogen op 1
januari en het tarief over dit fictieve inkomen bedraagt 30%.
Vermogensrendementsheffing: belast het inkomen uit sparen en beleggen op fictieve wijze.
Dit rendement is gesteld op 4%. Bij iedere belastingplichtige is een bepaald deel van zijn
vermogen vrijgesteld: het heffingsvrije vermogen.
De Wet IB 2001 houdt ook rekening met persoonlijke omstandigheden, terug te vinden in:
• De heffingskorting: een korting op de belasting en/of premies volksverzekeringen
die iemand moet betalen. Het is dus een belastingaftrek die ervoor zorgt dat een deel
van het inkomen onbelast blijft.
• De persoonsgebonden aftrek: deze impliceert een inkomensaftrek voor uitgaven die
zijn gedaan in verband met de persoonlijke situatie van een belastingplichtige.
Bijvoorbeeld bij uitgaven als alimentatie of levensonderhoud van kinderen.
De Wet IB 2001 is opgedeeld in drie inkomensboxen met elk zijn eigenschappen.
Box 1. (Inkomen uit werk Box 2. (Inkomen uit Box 3. (Inkomen uit sparen
en woning) aanmerkelijk belang) en beleggen).
Winst uit onderneming Voordelen aanmerkelijk Sparen en beleggen
Loon Eigen woning belang
ROW
Uitkeringen/verstrekkingen
, Bepaalde inkomensbestanddelen kunnen in meerder boxen vallen. Zoals een woning, dit is
een bezitting in box 3. Als het echter een eigen woning is, valt het in box 1. Er is daarom een
rangorderegeling: het eerst genoemde wetsartikel gaat voor. Dus box 1 gaat vóór box 2 en
box 2 gaat weer vóór box 3. De allocatie van schulden vindt plaats aan de hand van de vraag
waarvoor de schuld is aangegaan. De schulden volgen de bezittingen, wat betekent dat als de
bezitting in box 1 valt, de schuld hier ook in valt.
Een kenmerk van een analytisch stelsel is dat tussen de boxen – op enkele uitzonderingen na -
schotten staan. Dit betekent dat een negatief inkomen (een verlies) in bv. box 1 niet te
verrekenen is met een positief inkomen in box 3. Op dit principe bestaan twee uitzonderingen:
- De persoonsgebonden aftrek wordt ‘over de boxen heen’ verrekend. Eerst in mindering
op het box 1-inkomen. Dit kan echter niet tot een box 1-verlies leiden. Daarna box 3 en
tot slot box 2. Als er dan nog een bedrag overblijft, schuift het naar het volgende jaar.
- Deze uitzondering betreft een verlies uit aanmerkelijk belang in box 2. 25% van dit
verlies is onder omstandigheden toch verrekenbaar met de verschuldigde belasting over
het box 1-inkomen.
Het fiscale inkomen uit de eigen woning wordt gevormd door het eigenwoningforfait minus
de renten op de schuld van de eigen woning. Indien een belastingplichtige een eigen woning
bezit, wordt deze bezitting niet in box 3 maar in box 1 in aanmerking genomen. De inkomst
van de eigen woning wordt forfaitair berekend over de waarde van de ontroerende zaak. Dit
noemen we het eigenwoningforfait.
De eigenwoningwaarde van de woning is de volgens de ‘Wet waardering onroerende zaken’
(WOZ) vastgestelde waarde. De grootste uitzondering op het forfait wordt gevormd door de
financieringskosten van de woning die apart in aftrek mogen worden gebracht. Bij een
hypothecaire lening is de rente op deze lening aftrekbaar van het box 1-inkomen tegen het
progressieve tarief. Om voor de renteaftrek in aanmerking te komen, moet er dus sprake zijn
van een eigen woning en moet er sprake zijn van een schuld aangegaan ter verwerving van de
woning.
Met het eigenwoningforfait worden de nettovoordelen op forfaitaire wijze bepaald. Dit
betekent dat in het eigenwoningforfait de kosten die voor de eigen woning zijn gemaakt, zijn
opgenomen. Het gaat om de kosten die de eigenaar moet maken voor zijn woning: onderhoud,
afschrijvingen, verzekeringen en onroerendezaakbelasting. Er zijn echtere enkele kosten
waarmee niet op forfaitaire wijze rekening mee is gehouden en die daarom aftrekbaar zijn.
Daartoe behoren de renten van schulden die direct verband houden met en zijn aangegaan ter
verwerving van de eigen woning.
Bijleenregeling: Volgens deze regeling moet de overwaarde (ook wel eigenwoningreserve
genoemd) die vrijkomt bij de verkoop van de woning weer geïnvesteerd worden in de
volgende koopwoning. Gebeurt dat niet, dan is er geen renteaftrek mogelijk over het
leningbedrag ter grootte van die overwaarde. Dit deel van de lening verhuist naar box 3.
Het is mogelijk om bepaalde inkomensbestanddelen van de ene partner te belasten bij de
andere. Een partner kan inhouden: de echtgenoot, de geregistreerde partner, of ongehuwde
meerderjarigen die een woonadres delen en samen een kind hebben/een notarieel
samenlevingscontract hebben afgesloten/ze als partners aangemeld zijn voor een
pensioenregeling/ze allebei eigenaar zijn van de woning die het hoofdverblijf is. Overigens
kan er ook een fiscale partnerrelatie tussen en ouder een en kind ontstaan als het kind
minimaal 27 jaar is. Het zijn van fiscaal partner kan een voordeel zijn indien één van beide
partners wel inkomen heeft en de ander niet.