Antigeen herkenning vragenuur 12-12-2016
Aangeboren immuunsysteem -> patroonherkenningsreceptoren (op of in de cel).
Als cytokines en chemokines worden uitgescheiden -> acute ontsteking (meer
granulocyten/lymfocyten naar ‘plek des onheils’), activatie van het verworven immuunsysteem,
antivirale status (bescherming, type I interferonen zorgen daarvoor).
Eigenschappen patroonherkenningsreceptoren:
- Specificiteit: ‘moleculaire patronen’ die gedeeld worden door groepen microben (PAMPs)
- Genen: beperkt aantal genen, in kiemlijn-configuratie (zoals je van je vader/moeder het gen
hebt gekregen en zo blijft het daar)
- Voorkomen: niet-klonaal; alle cellen van een bepaalde lijn brengen dezelfde receptoren tot
expressie (vele receptoren tegelijkertijd)
- Zelf-niet-zelf: receptoren herkenning voornamelijk niet-zelf moleculaire patronen
Verworven afweersysteem: unieke antigeenreceptoren
- Lymfocyten
- Specifieke antigeenreceptoren
Antigeenreceptor bij B-cellen: immuunglobuline (antilichaam, voor herkenning extracellulaire
microben)
Antigeenreceptor bij T-cellen: T-celreceptor (intracellulaire microben)
Elke lymfocyt is monospecifiek (elke lymfocyt heeft 1 specifieke antigeenreceptor).
- Humorale immuunrespons: antigeen gaat direct een interactie aan met het oppervlakte
gebonden immuunglobuline en na wat hulpsignalen van bijvoorbeeld de T-cellen, gaan de
cellen zich uitrijpen tot plasmacellen. De plasmacellen scheiden in grote hoeveelheden
immuunglobulinen, antilichamen uit. Deze antilichamen doen het feitelijke werk -> zorgen
voor uitschakelen van het antigeen.
- Cellulaire respons: antigeen aangeboden, T-cel wordt geactiveerd (nadat hij hulpsignalen
heeft gekregen) en gaat uitrijpen tot effectorcellen. T-cellen herkennen doelwitcel en zorgen
ervoor dat cel wordt uitgeschakeld (door apoptose bijv -> killercellen CD8). De T-cellen
kunnen ook uitrijpen tot T-helper cellen (CD4, scheiden cytokines uit).
Structuur van immuunglobulines (antilichamen)
- 2 kleine/lichte ketens: 100% identiek aan elkaar
- 2 grote/zware ketens: 100% identiek aan elkaar
- Rood en blauw stuk bij lichte en zware keten. Rode stuk is erg variabel.
- Hoe langer het Hinge, hoe flexibeler het molecuul is
- Fc gebied: fragment constant -> dit stuk is constant (zware keten). Stukje op cellen die Fc
kunnen herkennen, heten Fc receptoren
- Fab gebied; heeft geen functie, maar kan wel aan antigeen binden
Complementary determining regions: hyper-variabele gebieden: hier is de meeste variatie geclusterd
-> CDR1, CDR2, CDR3: deze binden ook aan antigeen. Een antigeen gaat een interactie aan met 3
hypervariabele gebieden van de lichte keten en 3 hypervariabele gebieden van de zware keten (in
totaal dus met 6).
Immunoglobulineklassen: verschillen in structuur C-gebied
- Lichte keten: 2 typen constante gebieden
Aangeboren immuunsysteem -> patroonherkenningsreceptoren (op of in de cel).
Als cytokines en chemokines worden uitgescheiden -> acute ontsteking (meer
granulocyten/lymfocyten naar ‘plek des onheils’), activatie van het verworven immuunsysteem,
antivirale status (bescherming, type I interferonen zorgen daarvoor).
Eigenschappen patroonherkenningsreceptoren:
- Specificiteit: ‘moleculaire patronen’ die gedeeld worden door groepen microben (PAMPs)
- Genen: beperkt aantal genen, in kiemlijn-configuratie (zoals je van je vader/moeder het gen
hebt gekregen en zo blijft het daar)
- Voorkomen: niet-klonaal; alle cellen van een bepaalde lijn brengen dezelfde receptoren tot
expressie (vele receptoren tegelijkertijd)
- Zelf-niet-zelf: receptoren herkenning voornamelijk niet-zelf moleculaire patronen
Verworven afweersysteem: unieke antigeenreceptoren
- Lymfocyten
- Specifieke antigeenreceptoren
Antigeenreceptor bij B-cellen: immuunglobuline (antilichaam, voor herkenning extracellulaire
microben)
Antigeenreceptor bij T-cellen: T-celreceptor (intracellulaire microben)
Elke lymfocyt is monospecifiek (elke lymfocyt heeft 1 specifieke antigeenreceptor).
- Humorale immuunrespons: antigeen gaat direct een interactie aan met het oppervlakte
gebonden immuunglobuline en na wat hulpsignalen van bijvoorbeeld de T-cellen, gaan de
cellen zich uitrijpen tot plasmacellen. De plasmacellen scheiden in grote hoeveelheden
immuunglobulinen, antilichamen uit. Deze antilichamen doen het feitelijke werk -> zorgen
voor uitschakelen van het antigeen.
- Cellulaire respons: antigeen aangeboden, T-cel wordt geactiveerd (nadat hij hulpsignalen
heeft gekregen) en gaat uitrijpen tot effectorcellen. T-cellen herkennen doelwitcel en zorgen
ervoor dat cel wordt uitgeschakeld (door apoptose bijv -> killercellen CD8). De T-cellen
kunnen ook uitrijpen tot T-helper cellen (CD4, scheiden cytokines uit).
Structuur van immuunglobulines (antilichamen)
- 2 kleine/lichte ketens: 100% identiek aan elkaar
- 2 grote/zware ketens: 100% identiek aan elkaar
- Rood en blauw stuk bij lichte en zware keten. Rode stuk is erg variabel.
- Hoe langer het Hinge, hoe flexibeler het molecuul is
- Fc gebied: fragment constant -> dit stuk is constant (zware keten). Stukje op cellen die Fc
kunnen herkennen, heten Fc receptoren
- Fab gebied; heeft geen functie, maar kan wel aan antigeen binden
Complementary determining regions: hyper-variabele gebieden: hier is de meeste variatie geclusterd
-> CDR1, CDR2, CDR3: deze binden ook aan antigeen. Een antigeen gaat een interactie aan met 3
hypervariabele gebieden van de lichte keten en 3 hypervariabele gebieden van de zware keten (in
totaal dus met 6).
Immunoglobulineklassen: verschillen in structuur C-gebied
- Lichte keten: 2 typen constante gebieden