Tutor maandag week 14
1. Wat is een virus? + classificatie (MMM blz. 27 t/m 35)
Eenvoudig opgebouwd (geen golgisysteem, ER, kern), in het midden DNA of RNA.
Genetisch materiaal is enkelstrengs of dubbelstrengs, lineair of circulair. Capside + genetisch
materiaal = nucleocapside. Virussen met een envelop kunnen makkelijker het
immuunsysteem ontwijken.
Verticale overdracht -> moeder op kind via placenta bijv (HIV) of via moedermelk
Horizontale overdracht -> via ingeademde druppels, insectenbeten, speeksel etc
Virus maakt gebruik van gastheercel.
Dubbelstrengs -> direct omgezet in mRNA. Bij enkelstrengs wordt er gekeken of het + of – is.
Als het negatief is, wordt het eerst omgezet naar positief en dan naar mRNA. Dus altijd eerst
positief nodig, voor het mRNA kan worden.
Bij retrovirussen: positief wordt omgezet naar negatief en dan naar mRNA (precies
andersom).
2. Verschil bacterie, virus, schimmel (groot naar klein)
Schimmels: levende organismen, eencellig en multicellulair, celmembraan
Bacteriën: eencellig, geen kern, celmembraan en celwand.
Virussen: niet levend, gastheer nodig om te repliceren. Geen celmembraan.
3. Spreiding en replicatie MMM 153 t/m 160
Spreiding naar/via:
- Lymfe en bloed (antilichamen en fagocyten)
- Zenuwen
- Cerebrospinale vloeistof
- Van ene orgaan naar andere orgaan
Kwaadaardigheid van microben wordt bepaald door verschillende factoren:
- Adhesie
- Doordringen in cellen
- Anti fagocytaire activiteit
- Productie van toxinen
- Interactie met immuunsysteem
4. Overlevingsstrategie parasieten MMM 163 t/m 170
1. Strategieën tegen natuurlijke aangeboren verdedigingen zoals fagocyten
a. Antifagocytische mechanismen
b. Vastzitten aan trilharen met receptoren (adhesie)
c. Tegengaan van activatie complementsysteem
d. Productie van ijzerbindende moleculen
e. Blokkeren van interferonen
2. Tegen verworven verdedigingen -> stuk lastiger omdat de receptoren van lymfocyten
bijna elke afwijkende vorm (B-cellen) of afwijkende aminozuurvolgorde (T-cellen)
kunnen herkennen.
3. Parasieten overlevingsstrategieën
a. Stille invasie zonder symptomen
b. Cellen infecteren voor lange periodes zonder nadelig effect
c. Snelle ‘hit-and-run’ infectie
d. Verbergen van antigenen
1. Wat is een virus? + classificatie (MMM blz. 27 t/m 35)
Eenvoudig opgebouwd (geen golgisysteem, ER, kern), in het midden DNA of RNA.
Genetisch materiaal is enkelstrengs of dubbelstrengs, lineair of circulair. Capside + genetisch
materiaal = nucleocapside. Virussen met een envelop kunnen makkelijker het
immuunsysteem ontwijken.
Verticale overdracht -> moeder op kind via placenta bijv (HIV) of via moedermelk
Horizontale overdracht -> via ingeademde druppels, insectenbeten, speeksel etc
Virus maakt gebruik van gastheercel.
Dubbelstrengs -> direct omgezet in mRNA. Bij enkelstrengs wordt er gekeken of het + of – is.
Als het negatief is, wordt het eerst omgezet naar positief en dan naar mRNA. Dus altijd eerst
positief nodig, voor het mRNA kan worden.
Bij retrovirussen: positief wordt omgezet naar negatief en dan naar mRNA (precies
andersom).
2. Verschil bacterie, virus, schimmel (groot naar klein)
Schimmels: levende organismen, eencellig en multicellulair, celmembraan
Bacteriën: eencellig, geen kern, celmembraan en celwand.
Virussen: niet levend, gastheer nodig om te repliceren. Geen celmembraan.
3. Spreiding en replicatie MMM 153 t/m 160
Spreiding naar/via:
- Lymfe en bloed (antilichamen en fagocyten)
- Zenuwen
- Cerebrospinale vloeistof
- Van ene orgaan naar andere orgaan
Kwaadaardigheid van microben wordt bepaald door verschillende factoren:
- Adhesie
- Doordringen in cellen
- Anti fagocytaire activiteit
- Productie van toxinen
- Interactie met immuunsysteem
4. Overlevingsstrategie parasieten MMM 163 t/m 170
1. Strategieën tegen natuurlijke aangeboren verdedigingen zoals fagocyten
a. Antifagocytische mechanismen
b. Vastzitten aan trilharen met receptoren (adhesie)
c. Tegengaan van activatie complementsysteem
d. Productie van ijzerbindende moleculen
e. Blokkeren van interferonen
2. Tegen verworven verdedigingen -> stuk lastiger omdat de receptoren van lymfocyten
bijna elke afwijkende vorm (B-cellen) of afwijkende aminozuurvolgorde (T-cellen)
kunnen herkennen.
3. Parasieten overlevingsstrategieën
a. Stille invasie zonder symptomen
b. Cellen infecteren voor lange periodes zonder nadelig effect
c. Snelle ‘hit-and-run’ infectie
d. Verbergen van antigenen