Genetica en ontdekkingen komen vaak in het nieuws.
Het is nooit volledig door de omgeving óf de genen. Behalve bij bijvoorbeeld biologische
verschijnselen, maar nooit bij gedrag.
Darwin had helemaal geen kennis van DNA en biologische processen. Hij ging op reis en trof
verschillen tussen soorten aan → waar komen die verschillen vandaan?
Darwin → organismen verschillen van elkaar door de verschillende omgevingen. Degenen die zich het
best aanpassen, overleven (fittest).
Zin van het leven → streven naar maximale voortplanting.
Fittest is niet de sterkste.
Darwin schreef ‘’the origin of species’’.
Alles wat wij doen moet een functie hebben. Het boek is de basis voor het functionalisme.
Darwin vond niet per se dat de mens ‘’de top’’ van de keten was.
Veranderingen in de soort zijn random, het heeft geen nut.
Op het moment dat de omgeving niet meer verandert, stopt de evolutie volgens Darwin.
Er is een random variatie, waardoor de ene soort zich beter aanpast dan de ander.
Twee selectiecriteria voor een eigenschap:
Best aanpassen aan de omgeving
Maximale voortplanting
Genen:
Onderdeel van chromosomen
Invloed op de productie van eiwitmoleculen → invloed op organen → invloed op gedrag.
80% van het DNA heeft een vage functie → non-coding of junk DNA. Wij kunnen hele
flexibele dingen doen met onze genen. We hebben ongeveer 20 tot 25 duizend verschillende
genen.
Mens → cel → chromosoom → DNA → geen
Rosalyn Franklin
Maakte röntgenfoto’s van DNA. Ze stuurde dit naar collega’s en zij pikten het in.
Crick en Watson legden naar aanleiding van de foto’s als eersten uit hoe DNA werkte.
Twee soorten genen:
Coding genes → zorgen dat de juiste soort eiwit wordt geproduceerd waarmee onderdelen
van het lichaam kunnen worden gebouwd
Regulatory genes → regelen activatie van de coding genes.
Verschillen in DNA kunnen niet alles verklaren. Er is sprake van een wisselwerking tussen genen en
de omgeving.