Biopsychologie en Neurowetenschappen h2
Biopsychologie aka gedragspsychologie.
2.1 Genen en gedrag
Bij de geboorte hebben we al aangeboren eigenschappen zoals een aanleg voor taal, sociale
interactie, zelfbehoud ect.
Evolutie: het proces waarbij soorten organisme geleidelijk veranderen doordat ze zich aanpassen aan
een veranderde omgeving.
Adaptieve kenmerken: Kenmerken die zijn ontstaan door aanpassing aan een specifieke omgeving.
Genotype: Genen die een uniek genetisch patroon is.
Fenotype: Genen die tot fysieke uiting komen zoals blauwe ogen en blond haar. Alle waarneembare
kenmerken. Dus ook gedrag. Het is dus niet allemaal erfelijk.
Dan komt er een hoofdstuk dat DNA, chromosomen en nucleotiden uitlegt. Spreekt voor zichzelf.
Onze stoornissen (bv taalstoornis) kan een genetische basis hebben.
DNA draait om het eiwit, Histoon. Elke dag krijgt je een specifiek stukje code dat op je DNA of
Histoon komt. Het resterende stukje code vormt de Epigenoom. Deze is flexibel en past zich aan de
omgeving aan door genen uit en aan te zetten in reactie op de ervaringen van het organisme.
Ervaringen in de kindertijd lijken genetische modificaties te kunnen veroorzaken die de ontwikkeling
van de hersenen beïnvloeden. Voeding en beweging hebben ook invloed op het epigenoom.
Interne signaalsystemen 2.2
De basis van al onze gedachten, emoties en gedragingen.
Een neuron is de bouwsteen/verwerkingseenheid van het zenuwstelsel en netwerken hiervan werken
samen in de hersenen en in het zenuwstelsel. Ze ontvangen verwerken en geven informatie door
aan andere cellen.
Soorten Neuronen:
1. Sensorische neuronen: deze geven enkel signalen van de zintuigen naar de hersenen.
2. Motorische neuronen: Signalen vanuit de hersenen en het ruggenmerg naar de spieren,
organen en klieren. Dit is voor ons handelen. Bv we denken ik wil mijn hand bewegen. De
hersenen sturen een signaal naar de spieren in je hand en je hand beweegt.
Bij reflexen is het het geval dat sensorische neuronen via schakkelcellen naar motorische
neuronen communiceren.
Interneuronen: maken contact met andere neuronen.
Aan de zenuwuiteinden liggen dendrieten. Deze geven berichten door aan het centrale deel van het
neutron aka de Soma. Het cellichaam kan exciteren of inhiberen. Als het exciteert dan gaat het
signaal via een axon.
Actiepotentiaal: Een elektrische prikkel in het axon tot actie te komen.
Synaptische transmissie: Neuronen liggen dicht bij elkaar maar raken elkaar niet aan. Hiertussen zit
een Synaps en dat werkt als een elektronische isolator. Dit verhindert dat de lading direct van het
axon naar de volgende cel spingt. Dit kan naar de volgende cel via een eindknop aan de axon. Bij een
reeks gebeurtenissen, het een synaptische transmissie, zorgt ervoor dat het elektrische signaal van
de actiepotentiaal ervoor dat via neurotransmitters een chemisch signaal de synaptische spleet kan
oversteken naar de volgende zenuwcel.
Neurotransmitter: als die elektrische impuls bij de eindknop aankomt, worden de kleine kanaaltje die
zich bij de synaps bevinden doorlaatbaar. Door door komt de inhoudt van de blaasjes, de chemische
neurotransmitter, in de synaps vrij.
Biopsychologie aka gedragspsychologie.
2.1 Genen en gedrag
Bij de geboorte hebben we al aangeboren eigenschappen zoals een aanleg voor taal, sociale
interactie, zelfbehoud ect.
Evolutie: het proces waarbij soorten organisme geleidelijk veranderen doordat ze zich aanpassen aan
een veranderde omgeving.
Adaptieve kenmerken: Kenmerken die zijn ontstaan door aanpassing aan een specifieke omgeving.
Genotype: Genen die een uniek genetisch patroon is.
Fenotype: Genen die tot fysieke uiting komen zoals blauwe ogen en blond haar. Alle waarneembare
kenmerken. Dus ook gedrag. Het is dus niet allemaal erfelijk.
Dan komt er een hoofdstuk dat DNA, chromosomen en nucleotiden uitlegt. Spreekt voor zichzelf.
Onze stoornissen (bv taalstoornis) kan een genetische basis hebben.
DNA draait om het eiwit, Histoon. Elke dag krijgt je een specifiek stukje code dat op je DNA of
Histoon komt. Het resterende stukje code vormt de Epigenoom. Deze is flexibel en past zich aan de
omgeving aan door genen uit en aan te zetten in reactie op de ervaringen van het organisme.
Ervaringen in de kindertijd lijken genetische modificaties te kunnen veroorzaken die de ontwikkeling
van de hersenen beïnvloeden. Voeding en beweging hebben ook invloed op het epigenoom.
Interne signaalsystemen 2.2
De basis van al onze gedachten, emoties en gedragingen.
Een neuron is de bouwsteen/verwerkingseenheid van het zenuwstelsel en netwerken hiervan werken
samen in de hersenen en in het zenuwstelsel. Ze ontvangen verwerken en geven informatie door
aan andere cellen.
Soorten Neuronen:
1. Sensorische neuronen: deze geven enkel signalen van de zintuigen naar de hersenen.
2. Motorische neuronen: Signalen vanuit de hersenen en het ruggenmerg naar de spieren,
organen en klieren. Dit is voor ons handelen. Bv we denken ik wil mijn hand bewegen. De
hersenen sturen een signaal naar de spieren in je hand en je hand beweegt.
Bij reflexen is het het geval dat sensorische neuronen via schakkelcellen naar motorische
neuronen communiceren.
Interneuronen: maken contact met andere neuronen.
Aan de zenuwuiteinden liggen dendrieten. Deze geven berichten door aan het centrale deel van het
neutron aka de Soma. Het cellichaam kan exciteren of inhiberen. Als het exciteert dan gaat het
signaal via een axon.
Actiepotentiaal: Een elektrische prikkel in het axon tot actie te komen.
Synaptische transmissie: Neuronen liggen dicht bij elkaar maar raken elkaar niet aan. Hiertussen zit
een Synaps en dat werkt als een elektronische isolator. Dit verhindert dat de lading direct van het
axon naar de volgende cel spingt. Dit kan naar de volgende cel via een eindknop aan de axon. Bij een
reeks gebeurtenissen, het een synaptische transmissie, zorgt ervoor dat het elektrische signaal van
de actiepotentiaal ervoor dat via neurotransmitters een chemisch signaal de synaptische spleet kan
oversteken naar de volgende zenuwcel.
Neurotransmitter: als die elektrische impuls bij de eindknop aankomt, worden de kleine kanaaltje die
zich bij de synaps bevinden doorlaatbaar. Door door komt de inhoudt van de blaasjes, de chemische
neurotransmitter, in de synaps vrij.