Grieks SE-week 2
Grammaticale belangrijke dingen
Crasis: het eerste woord eindigt met een klinker, en het tweede begint met een klinker, waardoor de
woorden samensmelten.
Coniuncitvus:
1. Hoofdzin:
a. Aansporing (laten)
b. Bevel (laat niet, je moet niet)
c. Twijfel (moeten?)
2. Bijzin:
a. Bijzin van doel
b. Met αν: futuralis of generalis
Optativus:
1. Hoofdzin:
a. Wens (moge…)
b. αν + opt= pot (zou… kunnen)
2. Bijzin:
a. Als de hoofdzin in de verleden tijd staat en er een con. verwacht wordt
Indicativus met αν:
1. Irrealis van het heden (Impf met αν)
2. Irrealis van het verleden (ind van de aor met αν)
Stijlfiguren:
1. Alliteratie: twee of meer woorden beginnen met dezelfde letter die dicht bij elkaar staan.
2. Anafora: herhaling van een tekstelement aan het begin van opeenvolgende zinnen.
3. Antithese: tegengestelde begrippen dicht bij elkaar geplaatst
4. Asyndeton: opeenvolging van twee of meer tekstelementen zonder verbindingswoord
5. Chiasme: kruisgewijze plaatsing van grammaticaal en/of inhoudelijke gelijkwaardige
tekstelementen.
6. Climax: een reeks van tenminste drie tekstelementen met een steeds sterker wordende
inhoud
7. Enallage: verbinding van een bijv. nw met een ander zelf. nw dan waarbij het qua betekenis
past
8. Eufemisme: weergave van een negatief geladen begrip door een verzachtende aanduiding
9. Hyperbaton: uiteenplaatsing van woorden die een grammaticale eenheid vormen; de
eenheid wordt onderbroken door een tekstelement dat niet bij de woordgroep hoort.
10. Litotes: de ontkenning van een begrip waardoor het tegendeel benadrukt wordt.
11. Metafoor: vorm van beeldspraak waar alleen het beeld genoemd wordt
12. Metonymia: vervanging van een woord door een ander woord uit hetzelfde betekenisveld:
a. Abstractum pro concreto: abstract ipv een concreet begrip
b. Naam van een god ipv een begrip uit zijn/haar invloedssfeeer
Grammaticale belangrijke dingen
Crasis: het eerste woord eindigt met een klinker, en het tweede begint met een klinker, waardoor de
woorden samensmelten.
Coniuncitvus:
1. Hoofdzin:
a. Aansporing (laten)
b. Bevel (laat niet, je moet niet)
c. Twijfel (moeten?)
2. Bijzin:
a. Bijzin van doel
b. Met αν: futuralis of generalis
Optativus:
1. Hoofdzin:
a. Wens (moge…)
b. αν + opt= pot (zou… kunnen)
2. Bijzin:
a. Als de hoofdzin in de verleden tijd staat en er een con. verwacht wordt
Indicativus met αν:
1. Irrealis van het heden (Impf met αν)
2. Irrealis van het verleden (ind van de aor met αν)
Stijlfiguren:
1. Alliteratie: twee of meer woorden beginnen met dezelfde letter die dicht bij elkaar staan.
2. Anafora: herhaling van een tekstelement aan het begin van opeenvolgende zinnen.
3. Antithese: tegengestelde begrippen dicht bij elkaar geplaatst
4. Asyndeton: opeenvolging van twee of meer tekstelementen zonder verbindingswoord
5. Chiasme: kruisgewijze plaatsing van grammaticaal en/of inhoudelijke gelijkwaardige
tekstelementen.
6. Climax: een reeks van tenminste drie tekstelementen met een steeds sterker wordende
inhoud
7. Enallage: verbinding van een bijv. nw met een ander zelf. nw dan waarbij het qua betekenis
past
8. Eufemisme: weergave van een negatief geladen begrip door een verzachtende aanduiding
9. Hyperbaton: uiteenplaatsing van woorden die een grammaticale eenheid vormen; de
eenheid wordt onderbroken door een tekstelement dat niet bij de woordgroep hoort.
10. Litotes: de ontkenning van een begrip waardoor het tegendeel benadrukt wordt.
11. Metafoor: vorm van beeldspraak waar alleen het beeld genoemd wordt
12. Metonymia: vervanging van een woord door een ander woord uit hetzelfde betekenisveld:
a. Abstractum pro concreto: abstract ipv een concreet begrip
b. Naam van een god ipv een begrip uit zijn/haar invloedssfeeer