Artikel: Ponsioen, A. (2005). De waarde van een IQ-score bij kinderen met een lichte verstandelijke
beperking. Kind & Adolescent Praktijk, 4(2), 51-55
Artikel: Ruiter SAJ, Hurks PPM, Timmerman ME. (2017) IQ-score is dringend aan modernisering toe. Naar
een nieuwe interpretatie en classificatie van de geschatte intelligentie. Kind Adolesc Prakt. 16(1), 16–23
Artikel: Koster, I., Stams, GJ. & Kaldenbach, Y. (2018) Een iq-test op je slechtste moment: is dat wel
slim?. Kind Adolesc Prakt. 17, 6–13
Didden, R., Troost, P., Moonen, X. & Groen, W. (red) (2017). Handboek Psychiatrie en lichte verstandelijke
beperking. Utrecht: De Tijdstroom.
Došen, A. (2014). Psychische stoornissen, gedragsproblemen en verstandelijke handicap. Assen: Van Gorcum.
Artikel: Crocker, A. G., Prokić, A., Morin, D., & Reyes, A. (2014). Intellectual disability and co ‐occurring
mental health and physical disorders in aggressive behaviour. Journal of Intellectual Disability Research,
58(11), 1032-1044
Artikel: Emerson, E., & Einfeld, S. (2010). Emotional and behavioural difficulties in young children with and
without developmental delay: a bi‐national perspective. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 51(5),
583-593.
Artikel: Goodman, R. (1995). The relationship between normal variation in IQ and common childhood
psychopathology: a clinical study. European Child & Adolescent Psychiatry, 4(3), 187-196
Artikel: Plomin, R., Price, T. S., Eley, T. C., Dale, P. S., & Stevenson, J. (2002). Associations between behaviour
problems and verbal and nonverbal cognitive abilities and disabilities in early childhood. Journal of Child
Psychology and Psychiatry, 43(5), 619-633.
Artikel: Schuiringa, H., van Nieuwenhuijzen, M., de Castro, B. O., & Matthys, W. (2015). Parenting and the
parent–child relationship in families of children with mild to borderline intellectual disabilities and
externalizing behavior. Research in developmental disabilities, 36, 1-12.
Artikel: Kaldenbach, Y. (2015). De verstandelijke beperking (verstandelijke-ontwikkelingsstoornis) in de
DSM5. Boom Psychologie
LEERDOEL 1. WAT IS DE SAMENHANG TUSSEN COGNITIEF FUNCTIONEREN EN GEDRAGSPROBLEMEN? EN HOE
WORDT DEZE SAMENHANG VERKLAARD?
DOSEN 2014 H17 AGRESSIEF GEDRAG EN IMPULS-CONTROLE-STOORNIS BIJ MENSEN MET EEN
VERSTANDELIJKE BEPERKING
Agressie: aangeboren kracht om jezelf in leven te houden (voeding, verdediging, voortplanting).
> Agressief gedrag komt bij mensen met een VB vaker voor. Redenen:
1. Individuele factoren:
- Genetische factoren: chromosomale afwijkingen, agressie in de familie.
- Disfunctie of beschadiging van centraal zenuwstelsel: disfunctie van frontale kwab,
temporale kwab en amygdala, beschadiging van hypocampus en prefrontale cortex.
- Neurobiochemische toestand: lage serotonine activiteit, verhoogde
noradrenalineactiviteit, verhoogde dopaminerge activiteit.
, - Verlaagd intellectueel functioneren: verlaagd IQ, tekort aan vaardigheden,
communicatieproblemen.
- Sociale omstandigheden: sociale deprivatie, sociale incompetentie, sociale isolatie,
mishandeling.
- Emotionele-en persoonlijkheidsfactoren: achterstand van emotionele en
persoonlijkheidsontwikkeling, moeilijk temperament, maladaptieve coping-
strategieën.
- Psychiatrische toestanden: hechtingsstoornis, ODD, ADHD, depressie, psychose,
persoonlijkheidsstoornissen.
2. Omgevingsfactoren: overlading met sensorische prikkels, inadequate interactiestijl, tekort
aan gestructureerde activiteiten, ‘modeling’ van agressie, vermijdende sociale contacten
(mishandeling, afstoting, verwaarlozing), zwak pedagogisch milieu, psychopathologie bij de
ouders, uitstoten door leeftijdsgenoten, stress vanuit de omgeving.
> Auto-agressief gedrag komt bij 10% van de kinderen met een VB of autisme voor.
- Zelfverwondend gedrag bij mensen met een laag ontwikkelingsniveau: bestaat meestal uit
ernstige lichamelijke verwondingen (bijv. hoofdbonken, zichzelf slaan).
- Zelfverwondend gedrag bij mensen met een hoger ontwikkelingsniveau: bestaat meestal
uit oppervlakkige huidverwondingen door scherpe voorwerpen of uit ernstige verwondingen
bij mensen in psychotische toestand.
> Deze vormen van auto-agressief gedrag hebben een verschillende betekenis:
- Laag ontwikkelingsniveau > existentiële problematiek (bijv. pijn, angst, frustratie)
- Hoog ontwikkelingsniveau > toestanden van hoge opwinding en dissociatie
(symbolische of communicatieve betekenis).
Soorten agressie
1. Affectieve agressie: ontstaat als reactie op bedreiging, provocatie of frustratie. Gekarakteriseerd
door een hoog arousal, affectieve labiliteit, kwaadheid, woede en angst.
- Mensen hebben een verlaagde cognitie. Kinderen hebben vaker een lager verbaal IQ, zijn
vaker onder psychiatrische behandeling en hebben vaker psychotische toestanden.
2. Doelgerichte agressie: meestal aangeleerd en wordt door bekrachtiging in stand gehouden.
Personen hebben geen cognitieve inzinking, hun arousal is laag en de motoriek is onder controle.
3. Gemengde agressie: heeft kenmerken van affectieve en doelgerichte agressie. Ontstaat meestal
door reacties van de omgeving op de agressie, maar kan ook in verband staan met
ontwikkelingsaspecten en psychische en biologische aspecten.
4. Impulsieve en gesublimeerde agressie: stoornis van impulscontrole > impulsief stelen,
brandstichten, seksuele agressie en andere asociale activiteiten.
5. Novelty seeking agressie door regulatiestoornis van arousal: agressief en antisociaal gedrag met
als doel het verhogen van de arousal. > Voortdurend zoeken van spanning en gevaar.
> Door dit onderscheid in agressievormen kan je de behandeling beter aansluiten op de behoeften
van de persoon en kan je makkelijker zien of agressie voortkomt uit de persoon of uit een stoornis.
Ontstaan agressie
1. Uitlokkende of provocerende factoren: pijn, angst, woede, stress en negatieve ervaringen.
2. Centrale verwerkingsfactoren: neurologische, genetische, psychiatrische en
ontwikkelingsafwijkingen zorgen voor inadequate verwerking van prikkels > gevolg: problemen in de
agressieregulatie.
,3. Handhavende of in stand houdende factoren: aangeleerd gedrag met een bepaalde functie (bijv.
communicatie), die door de omgeving bekrachtigd wordt.
Biologische en psychiatrische aspecten van agressie
- Vier basale affectieve toestanden (Sovner en Lowry):
1. Irritatie: lage frustratiedrempel, boosheid, ongeduld, vijandige attitude, onstabiele,
negatieve stemming met gemakkelijk huilen, zelfverwondend gedrag en driftontladingen.
2. Hyperarousal: alertheid die de persoon klaar maakt voor actie (fight, fligt, freeze reactie).
Vaak bij ADHD, ASS, bij beschadiging hersenstam en genetische syndromen. Opvallende
gedragingen zijn spanning, angst, impulsiviteit, stereotiep gedrag en teruggetrokkenheid.
3. Excitatie: toestand van opwinding, waarbij de persoon zoekt naar stimulerende
activiteiten. Kenmerken zijn rusteloosheid, versnelling van motorische activiteiten en
impulsiviteit. De stemming is vrolijk tot manisch. Verhoogde dopamine activiteit.
4. Woede: toestand van boosheid, gekenmerkt door een impulsieve agressie. Vaak bij
hersenbeschadigingen (hersenschors, hypothalamus of amygdala). Verhoogde adrenerge
activiteit.
- Verband tussen het beschadigde hersengedeelte en het soort agressie:
- Beschadiging van hersenstam: agressie heeft een stereotiep karakter (dezelfde vorm en
intensiteit), onafhankelijk van uitlokkende factoren.
- Disfunctie limbisch systeem: agressie is afhankelijk van de provocerende stimuli.
- Beschadiging en disfunctie frontale gebieden: agressie tegen sociale normen (antisociaal).
- Genetische afwijkingen kunnen zorgen dat de persoon overgevoelig is voor bepaalde prikkels. Dit
verhoogt de kans dat de persoon agressief reageert op prikkels uit de omgeving.
- Psychiatrische stoornissen kunnen gepaard gaan met agressief gedrag: stemmingsstoornissen,
cognitieve stoornissen, perceptiestoornissen (hallucinaties, derealisatie), borderline en de antisociale
persoonlijkheidsstoornis.
Functiestoornissen en agressie
- Agressief gedrag komt vaker voor bij mensen met verstoring van een sensorische functie (bijv.
doofheid of blindheid) of bij tekorten van bepaalde cognitieve functies. > Het overzien en begrijpen
van een situatie, dienen als beschermende factoren tegen agressie.
- Andere functiestoornissen (bijv. leerstoornissen, ADHD, slaapstoornissen en epilepsie) kunnen
secundaire oorzaken zijn van agressie (bijv. door irritatie, frustratie, spanning).
Ontwikkelingsaspecten en agressie
Op ieder niveau van persoonlijkheidsontwikkeling kan agressie door verschillende factoren uitgelokt
worden en een andere vorm aannemen voor kinderen met een VB:
1. Op het niveau van homeostase (0-6 maanden): agressie wordt uitgelokt door boosheid en
woede (interne of externe sensorische prikkels). Voornamelijk tegen zichzelf en diffuus.
2. Op het niveau van hechting (6-18 maanden): agressie wordt voornamelijk door frustraties
(boosheid, angst) uitgelokt. Voornamelijk tegen hechtingsfiguur of zichzelf en diffuus.
3. Op het niveau van zelf-ander differentiatie (18-36 maanden): agressie ontstaat als reactie
op boosheid en angst. Voornamelijk impulsief, gericht tegen anderen en niet gecontroleerd.
4. Op het niveau van egovorming (3-7 jaar): agressie ontstaat als reactie op boosheid en
angst, of kan aangeleerd zijn. De agressie kan impulsief of juist gecontroleerd zijn en is
gericht tegen objecten of mensen.
, 5. Op het niveau van realiteitsvorming (7-12 jaar): agressie kan ontstaan door boosheid en
angst, maar kan ook aangeleerd zijn. De agressie wordt verbaal geuit, is gericht tegen
mensen of objecten en is meestal gecontroleerd.
De ontwikkeling verschilt ten opzichte van de mate van de VB:
- Zeer ernstige verstandelijke beperking: voornamelijk affectieve agressie naar zichzelf
(niveau 1/2). Bij verdere ontwikkeling ontstaat meer aangeleerde en doelgerichte agressie.
- Ernstige verstandelijke beperking: agressie is vooral affectief en impulsief.
- Matige verstandelijke beperking: zowel affectieve als doelgerichte agressie.
- Lichte verstandelijke beperking: zowel affectieve als doelgerichte agressie (beter onder
controle dan bij matige beperking). Hoe lichter de VB, hoe doelgerichter de agressie.
Impulsiviteit en impulscontrole
Impulsiviteit: aanleg om snel, ongepland te reageren op prikkels, ongeacht de negatieve gevolgen
van deze reactie. > Primaire reactie op stimuli met een emotionele lading.
Impulscontrolestoornis: plotselinge ontlading van agressief gedrag. Kenmerken: Emotionele lading >
Spanning, boosheid, woede, agressie > Ontspanning > Spijt, schuldgevoel.
- Impulscontrole is afhankelijk van de leeftijd: In de peuter- en kleuterleeftijd is de controle zeer
zwak. Bij een schoolkind is de controle aanzienlijk sterker. In de vroege adolescentie kan de
impulscontrole afzwakken en in de volwassenheid weer toenemen.
- Bij mensen met een VB is de impulscontrole afhankelijk van het ontwikkelingsniveau (bijv.
mensen met een matige of ernstige VB hebben een zwakke of geen impulscontrole).
- Factoren die een rol spelen bij een impulscontrolestoornis bij mensen met een VB:
- Biologische factoren (genetische afwijkingen, beschadigingen frontale kwab).
- Lage cognitieve ontwikkeling.
- Disfuncties centraal zenuwstelsel (taalstoornis, sensorische disfuncties, epilepsie).
- Achterstand in de emotionele ontwikkeling.
- Verstoring van het inhibitiesysteem (BIS) en vorming van arousal-attick neuronale circuits.
- Aangeleerd door bekrachtiging.
- Symptoom van psychiatrische stoornis.
- Mensen met een LVB hebben vaker een impulscontrolestoornis. Verklaringen:
- Discrepantie tussen de emotionele en de cognitieve ontwikkeling zorgt voor voortdurende
conflicten met de omgeving > kunnen leiden tot een impulsieve reactie.
- Verstoring van BIS komt vaker voor bij een VB. > Kan zorgen voor impulsieve gedrag.
- Arousal-attack neuronale circuits: herhaaldelijk voorkomende intensieve emotionele
ervaringen zorgen voor de vorming van vaste verbindingen tussen bepaalde systemen van
zenuwcellen (neuronale circuits). Bij prikkels die geassocieerd worden met deze emotionele
ervaringen worden de circuits in werking gezet. De gedragsreactie loopt dan via de low road;
de reacties vinden plaats zonder controle door hogere gebieden. Hierdoor kan een lichte
aanleiding een explosie van agressie veroorzaken (arousal-attack-reacties).
DIDDEN 2017
Verstandelijke beperking en psychische stoornissen
- Kinderen met een LVB hebben een grote kans op een psychische stoornis. Twee redenen: