Methodisch handelen
Observeren, registreren rapporteren en interpreteren H1 + H2
Observatie: Bewust en doelgericht waarnemen
Observatieopzet:
1. Doel – wat wil je bereiken – stelling
2. Hoofdvraag: deelvragen en concrete gedragingen.
Eerst term uitleggen en daarna pas toepassen
3. Operationaliseren: omschrijven van concrete gedragingen.
4. Observatieformulier
5. Vakliteratuur
Soorten observaties:
1. Gedragsobservatie: observeren van gedrag van mensen.
2. Systematische observatie: wie en wanneer en hoelang?
3. Dagelijkse observatie: geen specifiek gedrag afspreken.
4. Participerende observatie: observator neemt deel uit.
5. Niet-participerende observatie: is dat je niet mee moet doet aan de situatie van je
observatie, bijvoorbeeld je bedenk het spel en je laat de kinderen het spelen en jij staat er op
de achtergrond bij te observeren
6. Zelfobservatie: helikopterview op jezelf
Observatiesystemen:
Tijdschalen : koppelen van tijd aan observaties
a) Event-samping: gebeurtenis staat centraal. Welke gedrag let je op?’
b) Time-sampling: Tijd staat centraal: als de gedraging niet specifiek is.
Observatieformulieren:
Bestaan: in praktijk nadeel: niet altijd toereikend
Zelfgemaakt: - eenduidig
Het doel van de observatie wordt omgezet in een concrete vraagstelling. Een concrete vraagstelling is
ook weer eenduidig en eindigt met een vraagteken.
0-meting: Zodra je wilt nagaan of er veranderingen zijn in gedrag zul je moeten weten wat de
beginsituatie was. De begin situatie wordt ook wel 0-meting genoemd of base-rate. De 0-meting is
vaak al niet meer mogelijk, doordat de beginsituatie niet meer meetbaar is. Als er geen 0-meting
bekend is, zal deze alsnog vastgesteld moeten worden, bijvoorbeeld dat de begeleiders met elkaar de
0-meting vaststellen.
Hoofdstuk 2. Waarnemen.
Mensen nemen waar door middel van vijf zintuigen: gezichtsvermogen, het gehoor, het
ruikvermogen, de tastzintuig en de smaak. Elke waarneming start met een stimulus: een voorwerp of
een gebeurtenis uit de wereld om ons heen, dat wordt ook een prikkel genoemd. Om de stimulus te
kunnen waarnemen, moet onze aandacht daarop gevestigd zijn.
Voordat we een stimulus kunnen waarnemen , moet onze aandacht erop gevestigd zijn en er moet
een bepaalde drempelwaarde overschreden zijn.
Observeren, registreren rapporteren en interpreteren H1 + H2
Observatie: Bewust en doelgericht waarnemen
Observatieopzet:
1. Doel – wat wil je bereiken – stelling
2. Hoofdvraag: deelvragen en concrete gedragingen.
Eerst term uitleggen en daarna pas toepassen
3. Operationaliseren: omschrijven van concrete gedragingen.
4. Observatieformulier
5. Vakliteratuur
Soorten observaties:
1. Gedragsobservatie: observeren van gedrag van mensen.
2. Systematische observatie: wie en wanneer en hoelang?
3. Dagelijkse observatie: geen specifiek gedrag afspreken.
4. Participerende observatie: observator neemt deel uit.
5. Niet-participerende observatie: is dat je niet mee moet doet aan de situatie van je
observatie, bijvoorbeeld je bedenk het spel en je laat de kinderen het spelen en jij staat er op
de achtergrond bij te observeren
6. Zelfobservatie: helikopterview op jezelf
Observatiesystemen:
Tijdschalen : koppelen van tijd aan observaties
a) Event-samping: gebeurtenis staat centraal. Welke gedrag let je op?’
b) Time-sampling: Tijd staat centraal: als de gedraging niet specifiek is.
Observatieformulieren:
Bestaan: in praktijk nadeel: niet altijd toereikend
Zelfgemaakt: - eenduidig
Het doel van de observatie wordt omgezet in een concrete vraagstelling. Een concrete vraagstelling is
ook weer eenduidig en eindigt met een vraagteken.
0-meting: Zodra je wilt nagaan of er veranderingen zijn in gedrag zul je moeten weten wat de
beginsituatie was. De begin situatie wordt ook wel 0-meting genoemd of base-rate. De 0-meting is
vaak al niet meer mogelijk, doordat de beginsituatie niet meer meetbaar is. Als er geen 0-meting
bekend is, zal deze alsnog vastgesteld moeten worden, bijvoorbeeld dat de begeleiders met elkaar de
0-meting vaststellen.
Hoofdstuk 2. Waarnemen.
Mensen nemen waar door middel van vijf zintuigen: gezichtsvermogen, het gehoor, het
ruikvermogen, de tastzintuig en de smaak. Elke waarneming start met een stimulus: een voorwerp of
een gebeurtenis uit de wereld om ons heen, dat wordt ook een prikkel genoemd. Om de stimulus te
kunnen waarnemen, moet onze aandacht daarop gevestigd zijn.
Voordat we een stimulus kunnen waarnemen , moet onze aandacht erop gevestigd zijn en er moet
een bepaalde drempelwaarde overschreden zijn.