Methodisch handelen h3 en h4 de Bil
H3 Betrouwbaarheid en validiteit
Je moet zo objectief mogelijk observeren. Dit kun je doen door goed overleg en dingen af te spreken
en af te stemmen zoals doelstelling, observatievraag, kenmerk, concrete gedragingen.
Observator-bias: Het vooroordeel dat de observator heeft en daardoor de neiging heeft om 1 kant op
te gaan. Het gaat om de fouten die en observator maakt bij zijn observatie.
Dit kan komen door de volgende oorzaken:
1. Aandacht: De observator richt zijn aandacht op bepaalde zaken en personen.
2. Selectie: De observator kijkt waar hij belangstelling in heeft.
3. Perceptie: Bij het omzetten van prikkels gebruikt de observator zijn eigen associaties.
4. Plaats: de observator wordt beïnvloed door de omgeving waarin hij observeert.
5. Tijd: de observator wordt beïnvloed door de tijd van zijn observaties.
6. Wat vooraf ging: als je eerst agressief gedrag bij iemand hebt gezien, dan zal een ander meer
relaxed overkomen.
7. Persoonlijke omstandigheden: de observator wordt beïnvloed door zijn eigen emoties en
omstandigheden thuis.
Beoordelaarsfouten:
1. Zien wat je wilt
2. Halo-effect: een persoon met een paar goede kenmerken volgens de beoordelaar ook nog
meer positieve kenmerken te geven/vergroten.
3. Horn-effect: een negatieve indruk, ook het gedrag en karnmerken negatiever zien.
Wat is de betrouwbaarheid van je observatie dus zal de herhaalbaarheid tot hetzelfde resultaat
leiden. Hoe complexer het gedrag en de situatie, hoe lager de betrouwbaarheid.
1. Inter-observatiebetrouwbaarheid: de mate van overeenkomst tussen de observaties van
verscheidene observatoren.
2. Intra-observatiebetrouwbaarheid: De mate van overeenkomst tussen de observaties van
dezelfde observator.
Een observatie is valide als je meet wat je wilde meten. Validiteit hangt samen met de
betrouwbaarheid.
De voorwaarden voor valide observaties ligt in het juist formuleren. Dit doe je door te
Operationaliseren. Dat is van vage termen zoals moe het omzetten in concrete gedragingen. Hoe
beter er geoperationaliseerd wordt hoe groter de validiteit.
Soorten validiteit
Constructvaliditeit: met wat je wil meten? Zijn die gedragen nu echt de bijwerkingen?
Inhoudsvaliditeit: Hoe groot is de inhoud van de meting? Zijn alle bijwerkingen geobserveerd
of is er een selectie gemaakt?
Predictieve validiteit: In hoeverre voorspellen de observaties het gedrag in de toekomst?
Concurrent validiteit: In hoeverre voorspellen de observaties het gedrag in het heden?
Vergeleken met andere gegevens over datzelfde gedrag?
De observaties kunnen gebruikt worden door:
1. Interne validiteit: met wat je wilde meten, zijn de geturfde gedragingen echt bijwerkingen?
2. Externe validiteit: In hoeverre zijn de resultaten overdraagbaar naar andere situaties of
andere geobserveerde personen? Generalisatie.
H3 Betrouwbaarheid en validiteit
Je moet zo objectief mogelijk observeren. Dit kun je doen door goed overleg en dingen af te spreken
en af te stemmen zoals doelstelling, observatievraag, kenmerk, concrete gedragingen.
Observator-bias: Het vooroordeel dat de observator heeft en daardoor de neiging heeft om 1 kant op
te gaan. Het gaat om de fouten die en observator maakt bij zijn observatie.
Dit kan komen door de volgende oorzaken:
1. Aandacht: De observator richt zijn aandacht op bepaalde zaken en personen.
2. Selectie: De observator kijkt waar hij belangstelling in heeft.
3. Perceptie: Bij het omzetten van prikkels gebruikt de observator zijn eigen associaties.
4. Plaats: de observator wordt beïnvloed door de omgeving waarin hij observeert.
5. Tijd: de observator wordt beïnvloed door de tijd van zijn observaties.
6. Wat vooraf ging: als je eerst agressief gedrag bij iemand hebt gezien, dan zal een ander meer
relaxed overkomen.
7. Persoonlijke omstandigheden: de observator wordt beïnvloed door zijn eigen emoties en
omstandigheden thuis.
Beoordelaarsfouten:
1. Zien wat je wilt
2. Halo-effect: een persoon met een paar goede kenmerken volgens de beoordelaar ook nog
meer positieve kenmerken te geven/vergroten.
3. Horn-effect: een negatieve indruk, ook het gedrag en karnmerken negatiever zien.
Wat is de betrouwbaarheid van je observatie dus zal de herhaalbaarheid tot hetzelfde resultaat
leiden. Hoe complexer het gedrag en de situatie, hoe lager de betrouwbaarheid.
1. Inter-observatiebetrouwbaarheid: de mate van overeenkomst tussen de observaties van
verscheidene observatoren.
2. Intra-observatiebetrouwbaarheid: De mate van overeenkomst tussen de observaties van
dezelfde observator.
Een observatie is valide als je meet wat je wilde meten. Validiteit hangt samen met de
betrouwbaarheid.
De voorwaarden voor valide observaties ligt in het juist formuleren. Dit doe je door te
Operationaliseren. Dat is van vage termen zoals moe het omzetten in concrete gedragingen. Hoe
beter er geoperationaliseerd wordt hoe groter de validiteit.
Soorten validiteit
Constructvaliditeit: met wat je wil meten? Zijn die gedragen nu echt de bijwerkingen?
Inhoudsvaliditeit: Hoe groot is de inhoud van de meting? Zijn alle bijwerkingen geobserveerd
of is er een selectie gemaakt?
Predictieve validiteit: In hoeverre voorspellen de observaties het gedrag in de toekomst?
Concurrent validiteit: In hoeverre voorspellen de observaties het gedrag in het heden?
Vergeleken met andere gegevens over datzelfde gedrag?
De observaties kunnen gebruikt worden door:
1. Interne validiteit: met wat je wilde meten, zijn de geturfde gedragingen echt bijwerkingen?
2. Externe validiteit: In hoeverre zijn de resultaten overdraagbaar naar andere situaties of
andere geobserveerde personen? Generalisatie.