SAMENVATTING
Bart van Heeswijk
,DEELTOETS 1:
HOOFDSTUK 1
HOOFDSTUK 2.4 T/M 2.7
HOOFDSTUK 3
HOOFDSTUK 4
DINSDAG 22 SEPTEMBER 2020
,Hoofdstuk 1: Individu en organisatie
Welke motieven hebben mensen om te gaan werken?
Welke verschillen in motivatie zijn er tussen mensen?
Welke andere persoonlijke kernmerken spelen een rol in het werk?
Hoe is de aard van de relatie tussen individu en organisatie?
Welke houding hebben mensen ten opzichte van het werk?
1.1: Gedrag en motivatie
Motivatie = het totaal van beweegredenen of motieven dat op een bepaald ogenblik
werkzaam is binnen een individu.
Motivatie wordt bepaald door:
- Interne krachten (behoeften)
- Externe krachten (situatie)
- Betekenisgeving aan situatie en behoeften.
1.1.1: Motivatie door interne krachten
Behoeften zijn de drijfveren voor het handelen van een individu. Er zijn verschillende
theorieën voor behoeften:
1. Theorie van Maslow
Maslow gaat ervan uit dat aan het gedrag van alle mensen een vijftal behoeften ten
grondslag ligt. De volgende behoeften worden door hem onderscheiden (van boven
naar onder):
Zelfactualiseringsbehoeften (kennis,
wijsheid)
Erkenningsbehoeften (waardering,
respect)
Sociale behoeften (contact, liefde)
Veiligheidsbehoeften (bescherming)
Fysiologische behoeften (voedsel en
water)
De twee uitgangspunten aan Maslows theorie:
Deprivatie = Wanneer er sprake is van een tekort (deprivatie), een onbevredigde
behoefte, zal de mens in beweging komen (activatie).
Hiërarchisch geordend = het ordenen van behoeften, beginnend bij de meeste
fundamentele behoeften.
, Deficiëntie behoeften = in beweging komen vanuit een tekort (deprivatie) gaat op voor de
eerste vier behoeften. Dat is niet het geval bij de laatste behoefte, de
zelfactualiseringsbehoefte. Deze is fundamenteel van andere aard.
2. ERG-theorie van Alderfer
Volgens Alderfer zijn er drie soorten behoeften:
- Existentiële behoeften = De behoefte aan materiële zekerheid.
- Relationele behoeften = De behoefte aan goede relaties, liefde, vriendschap.
- Groeibehoeften = De behoefte aan persoonlijke groei, zelfontplooiing.
Verschillen met Maslow:
- Verschillende soorten behoeften kunnen tegelijkertijd aanwezig zijn.
- Frustratie-regressiehypothese = Hoe meer bevrediging van hogere behoeften
gefrustreerd wordt, des te belangrijker behoeften van lager niveau worden.
Overeenkomst met Maslow:
- Deprivatie zal leiden tot activatie.
3. Theorie van McClelland
Volgens McClelland ontwikkelt ieder individu in de eerste levensjaren een eigen
behoefteprofiel. In zo’n profiel in een behoefte dominant aanwezig en deze dominante
behoefte bepaalt de gerichtheid van de persoon, onafhankelijk van de situatie waarin die
persoon zich bevindt. McClelland onderscheidt drie behoefteprofielen:
- Prestatiebehoefte = Als deze behoefte dominant is, zullen mensen vooral gericht zijn
op het leveren van goede prestaties.
- Machtsbehoefte = Als deze behoefte dominant is, streven mensen naar invloed en
controle over anderen.
- Affiliatiebehoefte = als deze behoefte dominant is, zijn mensen gericht op het
scheppen van goede relaties met anderen.
1.1.2: Motivatie door externe krachten (de situatie)
Gedrag wordt niet alleen gestuurd door een aanwezige behoefte, maar ook doordat situaties
gedrag kunnen uitlokken.
Trial and error = gissen en missen voorafgaand aan doelgericht functioneren.
Wet van het effect (Skinner, 1953) = De gevolgen van een handeling te herhalen of juist
achterwege te laten.
- Aantrekkelijke gevolgen = positieve bekrachtiging
- Niet-aantrekkelijke gevolgen = negatieve bekrachtiging
Conditioneren = een bepaalde handeling die steeds gevolgd wordt door positieve
bekrachtiging, zal na enige tijd in dezelfde situatie automatisch vertoond worden.
Stimuli = kenmerken die een bepaalde handeling oproepen.