Samenvatting Bacteriologie:
Bacterie eigenschappen:
Bacteriën zijn eencellig en hebben geen celkern (prokaryoot). Ze zijn zichtbaar
met licht onder een microscoop. Bacteriën kunnen zich snel vermeerderen.
Erfelijk materiaal zweeft rond in het cytoplasma. Het DNA bestaat uit een
chromosoom.
Via de gram kleuring kan de dikte van de celwand worden bepaald. Hoe werkt
het doe: enkele druppels zoute vloeistof dit verhit dit doe er Lugol (jodium),
ontkleur het met alcohol en kleur met fuchsine. Bij een blauwpaarse kleuring is
gram positief en een rode kleuring is een gram negatieve bacterie. Bij gram
positieve bacteriën (sthap. Aureus) werkt antibiotica vaak wel. Gram negatieve
bacteriën (E.coli, Klebsiella) hebben een extra celmembraan die de celwand extra
beschermd, hierdoor zijn ze minder gevoelig voor antibiotica.
Cytoplasma DNA en bouwstenen
Ribosomen Eiwitsynthese
Flagellen Beweegelijkheid
Bacterie indeling;
Bouw: flagel (lange eiwitdraad) en vorm
Leefomgeving: pH (zuur: acidogeen base: acidofiel), zuurstof en temperatuur
Celwand en of stofwisselingseigenschappen (energie onttrekken en bouwstoffen
van nieuwe bacteriën vormen)
Psychrofiele bacteriën: 5 – 30 graden (vooral op voedsel)
Mesofiele bacteriën: 35 – 40 graden
Thermofiele bacteriën: 50 – 60 graden
A. Eubacteriën onvertakt
Coccen rond
Bacillen staafvormig
Vibrionen kommavormig
Spirellen spiraalvormig
B. Draadbacteriën
C. Straalzwammen (lange draden staafvormig)
D. L- vorm: missen een deel van celwand (Staphylococcus Aureus)
Toxinen:
Endotoxinen: celwandbestanddelen
Gram negatieve bacteriën
Minder toxisch dan exotoxinen
Exotoxinen: giftige eiwitten
Gram negatieve en gram positieve bacteriën
Uitgescheiden
Sporenvorming gebeurd in ongunstige omstandigheden. Voornamelijk gram
positieve bacteriën (clostridium). Er wordt een inwendig kapsel gevormd rond de
cel inhoud, hierdoor kunnen ze goed overleven. Bij gunstige omstandigheden
worden nieuwe bacteriën gevormd.
Bacteriële groei:
Lagfase: Periode voordat de vermenigvuldiging begint
Bacterie eigenschappen:
Bacteriën zijn eencellig en hebben geen celkern (prokaryoot). Ze zijn zichtbaar
met licht onder een microscoop. Bacteriën kunnen zich snel vermeerderen.
Erfelijk materiaal zweeft rond in het cytoplasma. Het DNA bestaat uit een
chromosoom.
Via de gram kleuring kan de dikte van de celwand worden bepaald. Hoe werkt
het doe: enkele druppels zoute vloeistof dit verhit dit doe er Lugol (jodium),
ontkleur het met alcohol en kleur met fuchsine. Bij een blauwpaarse kleuring is
gram positief en een rode kleuring is een gram negatieve bacterie. Bij gram
positieve bacteriën (sthap. Aureus) werkt antibiotica vaak wel. Gram negatieve
bacteriën (E.coli, Klebsiella) hebben een extra celmembraan die de celwand extra
beschermd, hierdoor zijn ze minder gevoelig voor antibiotica.
Cytoplasma DNA en bouwstenen
Ribosomen Eiwitsynthese
Flagellen Beweegelijkheid
Bacterie indeling;
Bouw: flagel (lange eiwitdraad) en vorm
Leefomgeving: pH (zuur: acidogeen base: acidofiel), zuurstof en temperatuur
Celwand en of stofwisselingseigenschappen (energie onttrekken en bouwstoffen
van nieuwe bacteriën vormen)
Psychrofiele bacteriën: 5 – 30 graden (vooral op voedsel)
Mesofiele bacteriën: 35 – 40 graden
Thermofiele bacteriën: 50 – 60 graden
A. Eubacteriën onvertakt
Coccen rond
Bacillen staafvormig
Vibrionen kommavormig
Spirellen spiraalvormig
B. Draadbacteriën
C. Straalzwammen (lange draden staafvormig)
D. L- vorm: missen een deel van celwand (Staphylococcus Aureus)
Toxinen:
Endotoxinen: celwandbestanddelen
Gram negatieve bacteriën
Minder toxisch dan exotoxinen
Exotoxinen: giftige eiwitten
Gram negatieve en gram positieve bacteriën
Uitgescheiden
Sporenvorming gebeurd in ongunstige omstandigheden. Voornamelijk gram
positieve bacteriën (clostridium). Er wordt een inwendig kapsel gevormd rond de
cel inhoud, hierdoor kunnen ze goed overleven. Bij gunstige omstandigheden
worden nieuwe bacteriën gevormd.
Bacteriële groei:
Lagfase: Periode voordat de vermenigvuldiging begint