Biologie samenvatting
H3: cellen
Klas 4, periode 2
Organisatieniveaus:
Systeem aarde – ecosysteem – populatie/soort – organisme – orgaan – weefsel – cel – organel –
molecuul.
- Weefsel= cellen met eenzelfde bouw en functie.
- Orgaan= verschillende weefsels die samen werken aan een taak.
- Orgaanstelsel= alle organen die samenwerken aan dezelfde taak
- Organisme= zijn alleen orgaanstelsels samen
Levenskenmerken:
- Groei
- Voortplanting
- Stofwisseling
- Reageren op prikkels
- Cellen geven de erfelijk eigenschappen door via het erfelijke materiaal
Cellen zijn het laagste organisatieniveau met nog alle levenskenmerken.
Opbouw van een cel:
- Een cel bestaat vooral uit grondplasma (bestaat uit water en opgeloste stoffen).
- Dit word bij elkaar gehouden door een celmembraan (bestaat uit fosfolipiden en eiwitten).
o Eiwitten in het celmembraan selecteren welke stoffen de cel in en uit gaan. Sommige
eiwitten vormen poortjes waar allen bepaalde stoffen kunnen passeren
Receptoreiwitten= vangen bepaalde stoffen (zoals hormonen) op en er volgt
een reactie in de cel
- Organellen= onderdelen in een cel die allemaal een specifieke taak hebben
o Het grondplasma en organellen vormen samen het cystoplasma (celplasma).
Celkern= regelt alle processen in een cel
- Voor al deze processen zijn eiwitten nodig (als bouwstof, als enzym enzo)
- Om deze eiwitten te maken, is er een speciale code nodig die in de celkern (DNA) ligt.
- Via RNA-moleculen word deze code vervoert naar het grondplasma waar het specifieke eiwit
word gemaakt.
o Als de eiwitten hun taak hebben voltooid gaat er weer een signaal terug naar de
celkern (terugkoppeling), waardoor er geen nieuwe signalen meer volgen voor de
aanmaak van dit eiwit.
De eiwitten worden gemaakt in de ribosomen (zie bron 4). Deze ribosomen kunnen uit de informatie
uit een RNA-molecuul een eiwit bouwen.
- Endoplasmatisch reticulum= een netwerk van membranen rond de celkern
o Deze membranen vormen holtes waardoor eiwitten heen verplaats kunnen worden.
o De cel transporteert door deze kanalen amylase en ander gemaakte eiwitten naar
het Golgi-systeem
- Golgi-systeem= platte membraanzakken die gevormde eiwitten sorteren
H3: cellen
Klas 4, periode 2
Organisatieniveaus:
Systeem aarde – ecosysteem – populatie/soort – organisme – orgaan – weefsel – cel – organel –
molecuul.
- Weefsel= cellen met eenzelfde bouw en functie.
- Orgaan= verschillende weefsels die samen werken aan een taak.
- Orgaanstelsel= alle organen die samenwerken aan dezelfde taak
- Organisme= zijn alleen orgaanstelsels samen
Levenskenmerken:
- Groei
- Voortplanting
- Stofwisseling
- Reageren op prikkels
- Cellen geven de erfelijk eigenschappen door via het erfelijke materiaal
Cellen zijn het laagste organisatieniveau met nog alle levenskenmerken.
Opbouw van een cel:
- Een cel bestaat vooral uit grondplasma (bestaat uit water en opgeloste stoffen).
- Dit word bij elkaar gehouden door een celmembraan (bestaat uit fosfolipiden en eiwitten).
o Eiwitten in het celmembraan selecteren welke stoffen de cel in en uit gaan. Sommige
eiwitten vormen poortjes waar allen bepaalde stoffen kunnen passeren
Receptoreiwitten= vangen bepaalde stoffen (zoals hormonen) op en er volgt
een reactie in de cel
- Organellen= onderdelen in een cel die allemaal een specifieke taak hebben
o Het grondplasma en organellen vormen samen het cystoplasma (celplasma).
Celkern= regelt alle processen in een cel
- Voor al deze processen zijn eiwitten nodig (als bouwstof, als enzym enzo)
- Om deze eiwitten te maken, is er een speciale code nodig die in de celkern (DNA) ligt.
- Via RNA-moleculen word deze code vervoert naar het grondplasma waar het specifieke eiwit
word gemaakt.
o Als de eiwitten hun taak hebben voltooid gaat er weer een signaal terug naar de
celkern (terugkoppeling), waardoor er geen nieuwe signalen meer volgen voor de
aanmaak van dit eiwit.
De eiwitten worden gemaakt in de ribosomen (zie bron 4). Deze ribosomen kunnen uit de informatie
uit een RNA-molecuul een eiwit bouwen.
- Endoplasmatisch reticulum= een netwerk van membranen rond de celkern
o Deze membranen vormen holtes waardoor eiwitten heen verplaats kunnen worden.
o De cel transporteert door deze kanalen amylase en ander gemaakte eiwitten naar
het Golgi-systeem
- Golgi-systeem= platte membraanzakken die gevormde eiwitten sorteren