Rechtbank ’s-Gravenhage
Zittingsplaats Leiden
Aantal woorden: 1974
Mevrouw Zahra Yilmaz, verzoekster,
Wonende te Leiden,
Vertegenwoordigd door M.J. Meeusen,
Meeusen advocatuur, te Leiden.
TEGEN
De staatssecretaris van minister van Justitie en Veiligheid.
, Mijnheer/mevrouw de Voorzitter, geachte leden van de rechtbank en alle overige aanwezigen,
1. Inleiding
Graag maak ik van deze gelegenheid gebruik om het beroep van cliënte, hierna te noemen:
Zahra, tegen de beschikking d.d. 20 december 2020 nader toe te lichten. Bij beschikking d.d.
20 december 2020 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie ten onrechte geoordeeld
dat Zahra geen vervolging hoeft te vrezen als zij zich in Afghanistan aan de omstandigheden
aldaar aanpast en dat er geen reëel risico aanwezig is op onmenselijke behandeling bij
terugkeer in Kabul. In mijn pleidooi zal ik eerst ingaan op de voorwaarden op grond van
artikel 29 lid 1 sub a Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) en vervolgens op de grond in
artikel 20 lid 1 sub b Vw.
2. Artikel 29 lid 1 sub a Vw
Op grond van artikel 29 lid 1 sub a Vw kan een verblijfsvergunning aan een vreemdeling
worden verleend die verdragsvreemdeling is. Een verdragsvluchteling kan worden
gedefinieerd als: ‘een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor
vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren
tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de
bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen, dan wel een
staatloze die zich om dezelfde reden buiten het land bevindt waar hij vroeger gewoonlijk
verbleef en daarheen niet kan, dan wel wegens genoemde vrees niet wil terugkeren.’1 Om tot
beoordeling hiervan te komen behandel ik de volgende elementen; de vluchteling dient zich
buiten het land van herkomst te bevinden op het moment van de asielaanvraag; er dient een
gegronde vrees voor vervolging te zijn; er dient sprake te zijn van een vervolgingsgrond en
ten slotte dient er geen mogelijkheid tot bescherming in het land van herkomst te zijn. Niet in
het geding is het feit dat Zahra zich op het moment van de aanvraag zich buiten het
Nederlands grondgebied bevond.
2.1. Gegronde vrees voor vervolging
Vreemdeling hier, vreemdeling daar. Dit is wat Zahra zal overkomen wanneer zij wordt
uitgezet naar Afghanistan. Zahra is vanaf zesjarige leeftijd in Nederland en heeft dan ook een
compleet andere levensstijl dan een meisje haar leeftijd in Afghanistan. Zij respecteert het
geloof van haar ouder, maar draagt geen hoofddoek meer, bezoekt slechts af en toe de
1
Op grond van artikel 1A Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, 28 juli 1951 (hierna:
Vluchtelingenverdrag, VLV) jo Artikel 2d Richtlijn 2011/95/EU (hierna: kwalificatierichtlijn, Kr)