Laagland
CURSUS 2
1. WAAROVER WORD VERTELD?
A. Gebeurtenissen
i. Chronologische volgorde (word niet altijd zo verteld)
ii. Verbanden leggen tussen bepaalde acties
B. Personages en hun rollen
i. Hoofdpersoon (streeft een doel na)
ii. Bijpersoon (helper of tegenstander)
iii. Emoties, omstandigheden of karakter kunnen als helper of tegenstander zijn
C. Personages leren kennen
i. Directe manier (duidelijke opsomming van karakter, uiterlijk en innerlijk)
ii. Indirecte manier (tijdens het verhaal krijg je steeds meer info)
D. Setting (tijd en ruimte)
i. Verhalen kunnen uit het verleden van 1800 komen of de tijd van nu
ii. Ruimtes bepalen de sfeer
2. HOE WORDT VERTELD?
A. Tijd
i. Verteltijd (tijd die je nodig hebt om te lezen)
ii. Vertelde tijd (tijd die speelt over het verhaal)
B. Volgorde
i. Chronologische volgorde of juist niet
ii. Vooruitwijzingen of terugverwijzingen
iii. Flashback (helemaal terug in de tijd)
C. Motieven
i. Verhaal motieven (terugkeren van situaties, gevoelens of acties)
ii. Leidmotieven (terugkeren van een woord of voorwerp)
CURSUS 2
1. WAAROVER WORD VERTELD?
A. Gebeurtenissen
i. Chronologische volgorde (word niet altijd zo verteld)
ii. Verbanden leggen tussen bepaalde acties
B. Personages en hun rollen
i. Hoofdpersoon (streeft een doel na)
ii. Bijpersoon (helper of tegenstander)
iii. Emoties, omstandigheden of karakter kunnen als helper of tegenstander zijn
C. Personages leren kennen
i. Directe manier (duidelijke opsomming van karakter, uiterlijk en innerlijk)
ii. Indirecte manier (tijdens het verhaal krijg je steeds meer info)
D. Setting (tijd en ruimte)
i. Verhalen kunnen uit het verleden van 1800 komen of de tijd van nu
ii. Ruimtes bepalen de sfeer
2. HOE WORDT VERTELD?
A. Tijd
i. Verteltijd (tijd die je nodig hebt om te lezen)
ii. Vertelde tijd (tijd die speelt over het verhaal)
B. Volgorde
i. Chronologische volgorde of juist niet
ii. Vooruitwijzingen of terugverwijzingen
iii. Flashback (helemaal terug in de tijd)
C. Motieven
i. Verhaal motieven (terugkeren van situaties, gevoelens of acties)
ii. Leidmotieven (terugkeren van een woord of voorwerp)