Gezondheidspsychologie begrippen
Hoofdstuk 1:
Biomedisch model (diagnose-receptmodel)= de opvatting dat ziekten en symptomen een achterliggende fysiologische verklaring hebben.
Als we ons alleen aan dit model houden, zou dat alleen tot objectieve feiten leiden en zou worden aangenomen dat er een directe, causale
relatie bestaat tussen ziekte, de symptomen of de achterliggende pathologie ervan en de resulterende aanpassing. Het biomedische standpunt
wordt wel reductionistisch genoemd: dat het een elementair idee is waarbij de geest, de materie (het lichaam) en het menselijk gedrag
kunnen worden gereduceerd tot het niveau van cellen of tot neurale of biochemische activiteit en dat ze op dit niveau kunnen worden
verklaard. Door reductionisme wordt het feit genegeerd dat verschillende mensen op verschillende wijze reageren op eenzelfde ziekte.
Biopsychosociaal ziektemodel= het standpunt dat ziekten en symptomen door een combinatie van lichamelijke, sociale, culturele en
psychologische factoren kunnen worden verklaard. Het biopsychosociale model signaleert een verbreding van een ziektemodel of
biomedisch gezondheidsmodel naar een model waarin de interactie tussen biologische processen en psychologische en sociale invloeden is
opgenomen en waarbij deze interactie wordt geaccentueerd.
Conversiehysterie= hiervan spreekt men als een patiënt last heeft van lichamelijke problemen, zoals het niet kunnen staan of zien zonder dat
er medisch iets mis is met de ledematen, de zintuigen of zenuwstelsel.
Incidentie= het aantal nieuwe gevallen van een ziekte dat zich voordoet gedurende een bepaald tijdsinterval- niet te verwarren met
prevalentie; dit laatste is het aantal vastgestelde gevallen van een ziekte in een populatie op een bepaald moment.
Lekentheorieën over gezondheid en gedrag:
Als we een vollediger inzicht in gezondheid en ziekte willen verkrijgen, is het nodig erachter te komen wat mensen onder gezondheid en
ziekte verstaan. Bauman stelde aan een populatie ernstig zieke patiënten de vraag: “wat betekent gezondheid?”. Drie soorten reacties waren:
1. Gezondheid betekent ‘een overwegend gevoel van welzijn’
2. Gezondheid wordt in verband gebracht met ‘de afwezigheid van symptomen van ziekte’
3. Gezondheid kan worden waargenomen in ‘de handelingen waartoe een lichamelijk gezond persoon in staat is’.
Zij betoogde dat de drie verschillende antwoorden aan het licht brengen dat gezondheid is gerelateerd aan:
- gevoel
- gerichtheid op symptomen
- prestaties
Gezondheidsgedrag= gedrag dat iemand vertoont ongeacht de gezondheidstoestand als middel om de gezondheid te beschermen, te
bevorderen of in stand te houden, bijv. het eten van gezonde voeding.
Sociale representaties van gezondheid:
In een onderzoek van Herzlich werden ongestructureerde vraaggesprekken gehouden met een kleine steekproef om de ‘sociale representaties’
van gezondheid en ziekte op het spoor te komen; hierbij werd ontdekt dat gezondheid leek te worden beschouwd als een toestand van
evenwicht van verschillende aspecten van de persoon, en die bestaan uit lichamelijk, psychologisch, emotioneel en sociaal welzijn, hoewel
het voor sommigen moeilijk was gezondheid los te zien van de afwezigheid van ziekte. Bennett denkt dat bij deze representaties van
gezondheid onderscheid wordt gemaakt tussen gezondheid als ‘zijn’; (indien niet ziek, dan gezond): ‘hebben’; (gezondheid als een positief
bezit of als middel): en ‘doen’; (gezondheid gepresenteerd door lichamelijke fitheid of functioneren).
Categorieën van gezondheid die bij onderzoek werden geïdentificeerd:
Gezondheid als niet ziek: geen symptomen, geen bezoeken aan de arts, daarom ben ik gezond.
Gezondheid als bezitting: ik kom uit een sterke familie; snel herstel.
Gezondheid als gedrag: meestal op anderen toegepast en niet op het zelf (bijv. zij zijn gezond omdat ze voor zichzelf zorgen).
Gezondheid als lichamelijke fitheid en vitaliteit: mannelijk gezondheidsbegrip is gekoppeld aan zich ‘fit voelen’, vrouwen hadden
opvattingen van ‘zich energiek voelen’ en gezondheid meer in de sociale wereld geworteld zagen in de vorm van levendig zijn en goede
relaties met anderen hebben.
Gezondheid als psychosociaal welzijn: gezondheid gedefinieerd m.b.t. de geestestoestand.
Gezondheid als functie: het idee van gezondheid als het vermogen zijn taken te verrichten, dat wil zeggen in staat zijn te doen wat je wilt
wanneer je dat wilt zonder op enige wijze te worden belemmerd door een slechte gezondheid of door lichamelijke beperkingen.
WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) van lichamelijke beperking= het onvermogen de normale sociale functies te vervullen, meestal
als gevolg van een belemmering of handicap.
Definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie: ´toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en sociaal welzijn en niet alleen als de
afwezigheid van ziekte of invaliditeit´.
Wat wordt beschouwd als een ´normale´ gezondheid verschilt per cultuur. Het is bovendien afhankelijk van het economische, politieke en
culturele klimaat van het tijdperk waarin de betrokkene leeft. Zelfs de wijze waarop bepaalde gedragingen worden beschouwd, verschilt in de
loop van de tijd en tussen verschillende culturen.
Het ontwikkelingsproces is een functie van de interactie tussen drie factoren:
1. Leren: relatief permanente verandering van kennis, vaardigheden of het vermogen als gevolg van ervaring.
2. Ervaring: wat we doen, zien, horen, voelen, denken.
,3. Rijping: gedachten, gedrag of lichamelijke groei die niet wordt toegeschreven aan ervaring, maar aan een erfelijk bepaalde
ontwikkelingsvolgorde en aan het ouder worden.
Acht belangrijke levensfasen door Erik Erikson (vijf betreffen ontwikkeling tijdens jeugd, drie de volwassen ontwikkeling) die met
betrekking tot verschillende dimensies verschillende:
- cognitief en intellectueel functioneren
- taal- en communicatievaardigheden
- inzicht in ziekte
- gezondheidszorg en verzorgingsgedrag
Piaget meende dat de cognitieve ontwikkeling in een aantal stadia verloopt, van baby tot volwassene:
- Sensomotorisch stadium: baby verkent de wereld door middel van zintuigelijke waarnemingen en het maken van bewegingen.
- Preoperatieve stadium: er is nog geen sprake van het leggen van objectieve concrete nauwkeurige relaties (kind is bang dat hij met het
water door het afvoerputje kan verdwijnen in bad).
- Stadium van concrete bewerkingen (operaties): kind kan juiste relaties leggen tussen dingen, mits deze dingen in werkelijkheid
aanwezig zijn.
- Stadium van abstracte bewerkingen: concrete aanwezigheid van dingen is niet meer vereist.
We kijken hoe leeftijd een van de bepalende factoren is bij de vorming en ontwikkeling van het denken over gezondheid en ziekte en
concentreren ons op het ziekteconcept.
Ziekteconcept op de leeftijd van 3 tot 13 jaar: op basis van vragen over gezondheid en ziekte stellen Bibace en Walsh dat het inzicht in
ziekte zich geleidelijk ontwikkelt. Vragen hadden betrekking op kennis (wat is verkoudheid); ervaringen (ben je ooit ziek geweest);
attributies (hoe wordt iemand verkouden); en herstel (hoe wordt iemand beter). Ze ontdekten een ontwikkeling in inzicht in ziekte, oorzaken
en behandelingen. Kinderen jonger dan zeven verklaren ziekte op ‘magisch’ niveau, met anderen woorden: verklaringen zijn gebaseerd op
associatie. Aantal stappen in de ontwikkeling voor het zevende jaar:
- Onbegrip: kind geeft irrelevante antwoorden of ontwijkt vragen.
- Fenomenalisme: ziekte is meestal een teken of geluid dat het kind op enig moment met de ziekte in verband heeft gebracht, maar er is
weinig begrip voor oorzaak en gevolg.
- Aangestoken worden: ziekte is meestal afkomstig van een persoon of voorwerp dat dichtbij is, maar waardoor het kind niet
noodzakelijkerwijs wordt aangeraakt.
Ziekteconcept op de leeftijd van 8 tot 11 jaar: Bibace en Walsh beschrijven verklaringen rond deze leeftijd als concreter en gebaseerd op
een logische reeks gebeurtenissen van oorzaak en gevolg:
- Besmetting: kinderen begrijpen in deze fase dat ziekte verschillende symptomen kan hebben en dat bacteriën of zelfs hun eigen gedrag
ziekten kunnen veroorzaken.
- Internalisatie: ziekte bevindt zich in het lichaam, maar het proces waardoor symptomen zich voordoen, wordt slechts gedeeltelijk begrepen.
Deze kinderen kunnen onderscheid maken tussen organen in het lichaam en de functie ervan en ze kunnen specifieke, eenvoudige informatie
over hun ziekte begrijpen.
Ziekteconcept vanaf de puberteit: tijdens deze fase is het nog een abstract begrip volgens Bibace en Walsh: verklaringen zijn gebaseerd
op interacties tussen persoon en zijn omgeving:
- Fysiologisch: rond 11 jaar bereiken ze een fase van fysiologisch inzicht en de meesten kunnen ziekte nu definiëren in termen van specifieke
lichamelijke organen of functies.
- Psychofysiologisch: tijdens de latere puberteit en volwassenheid begrijpen veel mensen dat lichaam en geest interactie vertonen en ze
begrijpen of accepteren de rol van stress, tobben enz. bij de verergering of veroorzaking van ziekte.
Pubers nemen van zichzelf aan dat ze meer controle hebben over het ontstaan en genezing van ziekte en zijn zich beter bewust dat
persoonlijke acties van invloed kunnen zijn op de resultaten. Advies en behandelingen worden beter begrepen en er wordt naar gehandeld,
doordat ze een beter inzicht hebben in complexe therapeutische ingrepen (bijv. ze begrijpen dat progressie van de ziekte kan worden gevolgd
door bloedafname en onderzoek).
Het vermogen van een kind om de aandoening en voorgeschreven behandeling te begrijpen wordt beïnvloed door het niveau van cognitieve
ontwikkeling dat het kind heeft bereikt.
Het doel van de psychologie is het beschrijven, verklaren en voorspellen van gedragsmatige en geestelijke processen en, waar mogelijk, in
deze processen te interveniëren om ze te reguleren of modificeren. Onder deze processen vallen taal, geheugen, concentratie en perceptie,
maar ook emoties, sociaal gedrag en gezondheidsgedrag. De sleutel tot de wetenschappelijke methoden die door psychologen wordt
toegepast, is het elementaire principe dat we de wereld via zintuiglijke waarnemingen kunnen leren kennen, oftewel het empirisme.
Psychologen maken gebruik van wetenschappelijke methoden om alle soorten gedrag en geestelijke processen te onderzoeken, vanaf
de responsactiviteit van één enkele zenuwcel tot aan de rolaanpassingen die bij het ouder worden nodig zijn:
1. We nemen iets waar
2. We definiëren een probleem
3. We verzamelen gegevens
4. We analyseren de gegevens
5. We ontwikkelen een theorie
6. We onderzoeken de theorie door opnieuw gegevens te verzamelen
, De belangrijkste doelstelling van de gezondheidspsychologie (ontleend aan definitie van Matarazzo) is het ontwikkelen van een
inzicht in de biopsychosociale factoren die belangrijk zijn voor:
- de bevordering en het in stand houden van de gezondheid
- het verbeteren van de systemen voor gezondheidszorg en het gezondheidsbeleid
- de preventie en behandeling van ziekte
- de oorzaken van ziekte: bijv. risicofactoren en kwetsbaarheid.
Medische psychologie= is gebaseerd op een in wezen mechanistisch medisch model: een achterliggende beperking veroorzaakt een
symptoom waarvoor behandeling/genezing nodig is om de ‘normale’ gezondheid te herstellen. Gezondheidspsychologen moeten eveneens
inzicht hebben in de verschillende stelsels van het lichaam (vooral zenuw-, hormoon-, en afweerstelsel), maar ook het ademhalingsstelsel en
spijsverteringsstelsel zijn relevant.
Gedragsgeneeskunde= onderzoekt de ontwikkeling en integratie van gedragsmatige en biomedische kennis en technieken die relevant
zijn voor ziekte en gezondheid. Er worden behavioristische principes toegepast (gedrag ontstaat uit leren via klassieke of operante
conditionering). Dankzij gedragsgeneeskunde is het standpunt verspreid dat de geest een directe invloed uitoefent op het lichaam (bijv. door
angst neemt de hartslag toe), en enkele van de voorgestelde therapieën, zoals biofeedback, werken volgens het principe van operante
conditionering en feedback.
Psychosomatische geneeskunde= betekent dat de geest en het lichaam beide zijn betrokken bij ziekte, en wanneer niet gemakkelijk een
organische oorzaak kan worden geïdentificeerd, kan de geest de oorzaak zijn van een lichamelijke reactie die detecteerbaar en meetbaar is.
Met andere woorden: de geest werkt niet alleen, maar samen met het lichaam. Ziekten zonder aanwijsbare, lichamelijke oorzaken worden
psychogeen genoemd. De psychosomatische geneeskunde houdt zich meer bezig met gemengde psychologische, sociale en
biologische/fysiologische verklaringen van ziekte.
Medische sociologie= reflecteert de nauwe relatie tussen psychologie en sociologie. Medische sociologie probeert gezondheid en ziekte te
begrijpen op basis van verschillende sociale factoren die op mensen van invloed kunnen zijn. Dit vakgebied richt zich meer vanuit
psychologisch dan vanuit sociologisch perspectief op de cognities en aannemen van het individu en op zijn reacties op de buitenwereld.
Gezondheidspsychologie= wordt ook wel biopsychosociaal model genoemd; onderwerpen van onderzoek zijn derhalve biologische,
sociale en psychosociale factoren die een rol spelen bij de etiologie, de preventie en de behandeling van ziekte, en bij het bevorderen en in
stand houden van de gezondheid.
Vier benaderingen voor de gezondheidspsychologie:
1. Klinische gezondheidspsychologie
2. Gezondheidspsychologie met betrekking tot de volksgezondheid
3. Gezondheidspsychologie van bepaalde groepen
4. Kritische gezondheidspsychologie
Hoofdstuk 2:
Sociaaleconomische status (SES)= een maat voor de sociale klasse van een individu. Het kent een status- en klassencomponent:
statuscomponent verwijst naar iemands aanzien en leefstijl; de klassencomponent naar dienst (materiële) hulpbronnen. De SES wordt
uitgedrukt in opleiding, beroepsstatus of inkomen. De opleiding is een sterke voorspeller van werk en inkomen in de toekomst.
Gezondheidsverschillen= hiermee worden verschillen in gezondheidstoestand en levensverwachting tussen verschillende groepen
aangeduid.
Genogram= een visuele weergave van de familiebanden van de patiënt.
Fysieke omgeving= betreft woonomstandigheden, de materiële levensstandaard of financiële situatie, fysieke arbeidsomstandigheden en de
fysieke buurtomgeving. Het hangt af van de kwaliteit van de fysieke omgeving of de gezondheid bevordert of schaadt.
De materiële levensstandaard bepaalt of mensen zich gezond voedsel of warme kleding kunnen veroorloven.
Sociale omgeving= betreft sociale netwerken, sociale steun, sociaal kapitaal, sociale cohesie en sociale participatie en integratie.
Bij de verklaring voor gezondheidsverschillen wordt een sociale verklaring tegenover een meer individuele geplaatst.
Sociale veroorzakingsmodel= wordt gesteld dat een lage SES gezondheidsproblemen ‘veroorzaakt’, dat wil zeggen dat het behoren tot een
lage sociaaleconomische klasse bepaalde elementen heeft die een negatieve invloed op de gezondheid van mensen uitoefenen.
Model van de social drift= wordt gesteld dat mensen bij wie een gezondheidsprobleem ontstaat mogelijk niet in staat zijn hun baan te
behouden of niet genoeg te werken om de levensstandaard te handhaven.
Aangeleerde hulpeloosheid= ontstaat als mensen (of dieren) het idee hebben dat ze geen invloed hebben op met name aversieve
gebeurtenissen in hun leven.
Aandoening aan de kransvaten= een vernauwing van de bloedvaten die het hart van bloed en zuurstof voorzien. Kan leiden tot angina
pectoris of hartinfarct.
Prevalentie= het aantal vastgestelde gevallen van een ziekte in een populatie op een bepaald moment. Vaak uitgedrukt als percentage van de
totale populatie of als het aantal gevallen per 100.000 mensen.
John Henryisme= een verklaring die suggereert dat succesvolle zwarte mannen zich harder moeten inspannen dan vergelijkbare blanken om
dezelfde mate van succes te verwezenlijken en de toename van hun bloeddruk reflecteert de stress die met een dergelijke inspanning gepaard
gaat.
Hoofdstuk 1:
Biomedisch model (diagnose-receptmodel)= de opvatting dat ziekten en symptomen een achterliggende fysiologische verklaring hebben.
Als we ons alleen aan dit model houden, zou dat alleen tot objectieve feiten leiden en zou worden aangenomen dat er een directe, causale
relatie bestaat tussen ziekte, de symptomen of de achterliggende pathologie ervan en de resulterende aanpassing. Het biomedische standpunt
wordt wel reductionistisch genoemd: dat het een elementair idee is waarbij de geest, de materie (het lichaam) en het menselijk gedrag
kunnen worden gereduceerd tot het niveau van cellen of tot neurale of biochemische activiteit en dat ze op dit niveau kunnen worden
verklaard. Door reductionisme wordt het feit genegeerd dat verschillende mensen op verschillende wijze reageren op eenzelfde ziekte.
Biopsychosociaal ziektemodel= het standpunt dat ziekten en symptomen door een combinatie van lichamelijke, sociale, culturele en
psychologische factoren kunnen worden verklaard. Het biopsychosociale model signaleert een verbreding van een ziektemodel of
biomedisch gezondheidsmodel naar een model waarin de interactie tussen biologische processen en psychologische en sociale invloeden is
opgenomen en waarbij deze interactie wordt geaccentueerd.
Conversiehysterie= hiervan spreekt men als een patiënt last heeft van lichamelijke problemen, zoals het niet kunnen staan of zien zonder dat
er medisch iets mis is met de ledematen, de zintuigen of zenuwstelsel.
Incidentie= het aantal nieuwe gevallen van een ziekte dat zich voordoet gedurende een bepaald tijdsinterval- niet te verwarren met
prevalentie; dit laatste is het aantal vastgestelde gevallen van een ziekte in een populatie op een bepaald moment.
Lekentheorieën over gezondheid en gedrag:
Als we een vollediger inzicht in gezondheid en ziekte willen verkrijgen, is het nodig erachter te komen wat mensen onder gezondheid en
ziekte verstaan. Bauman stelde aan een populatie ernstig zieke patiënten de vraag: “wat betekent gezondheid?”. Drie soorten reacties waren:
1. Gezondheid betekent ‘een overwegend gevoel van welzijn’
2. Gezondheid wordt in verband gebracht met ‘de afwezigheid van symptomen van ziekte’
3. Gezondheid kan worden waargenomen in ‘de handelingen waartoe een lichamelijk gezond persoon in staat is’.
Zij betoogde dat de drie verschillende antwoorden aan het licht brengen dat gezondheid is gerelateerd aan:
- gevoel
- gerichtheid op symptomen
- prestaties
Gezondheidsgedrag= gedrag dat iemand vertoont ongeacht de gezondheidstoestand als middel om de gezondheid te beschermen, te
bevorderen of in stand te houden, bijv. het eten van gezonde voeding.
Sociale representaties van gezondheid:
In een onderzoek van Herzlich werden ongestructureerde vraaggesprekken gehouden met een kleine steekproef om de ‘sociale representaties’
van gezondheid en ziekte op het spoor te komen; hierbij werd ontdekt dat gezondheid leek te worden beschouwd als een toestand van
evenwicht van verschillende aspecten van de persoon, en die bestaan uit lichamelijk, psychologisch, emotioneel en sociaal welzijn, hoewel
het voor sommigen moeilijk was gezondheid los te zien van de afwezigheid van ziekte. Bennett denkt dat bij deze representaties van
gezondheid onderscheid wordt gemaakt tussen gezondheid als ‘zijn’; (indien niet ziek, dan gezond): ‘hebben’; (gezondheid als een positief
bezit of als middel): en ‘doen’; (gezondheid gepresenteerd door lichamelijke fitheid of functioneren).
Categorieën van gezondheid die bij onderzoek werden geïdentificeerd:
Gezondheid als niet ziek: geen symptomen, geen bezoeken aan de arts, daarom ben ik gezond.
Gezondheid als bezitting: ik kom uit een sterke familie; snel herstel.
Gezondheid als gedrag: meestal op anderen toegepast en niet op het zelf (bijv. zij zijn gezond omdat ze voor zichzelf zorgen).
Gezondheid als lichamelijke fitheid en vitaliteit: mannelijk gezondheidsbegrip is gekoppeld aan zich ‘fit voelen’, vrouwen hadden
opvattingen van ‘zich energiek voelen’ en gezondheid meer in de sociale wereld geworteld zagen in de vorm van levendig zijn en goede
relaties met anderen hebben.
Gezondheid als psychosociaal welzijn: gezondheid gedefinieerd m.b.t. de geestestoestand.
Gezondheid als functie: het idee van gezondheid als het vermogen zijn taken te verrichten, dat wil zeggen in staat zijn te doen wat je wilt
wanneer je dat wilt zonder op enige wijze te worden belemmerd door een slechte gezondheid of door lichamelijke beperkingen.
WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) van lichamelijke beperking= het onvermogen de normale sociale functies te vervullen, meestal
als gevolg van een belemmering of handicap.
Definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie: ´toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en sociaal welzijn en niet alleen als de
afwezigheid van ziekte of invaliditeit´.
Wat wordt beschouwd als een ´normale´ gezondheid verschilt per cultuur. Het is bovendien afhankelijk van het economische, politieke en
culturele klimaat van het tijdperk waarin de betrokkene leeft. Zelfs de wijze waarop bepaalde gedragingen worden beschouwd, verschilt in de
loop van de tijd en tussen verschillende culturen.
Het ontwikkelingsproces is een functie van de interactie tussen drie factoren:
1. Leren: relatief permanente verandering van kennis, vaardigheden of het vermogen als gevolg van ervaring.
2. Ervaring: wat we doen, zien, horen, voelen, denken.
,3. Rijping: gedachten, gedrag of lichamelijke groei die niet wordt toegeschreven aan ervaring, maar aan een erfelijk bepaalde
ontwikkelingsvolgorde en aan het ouder worden.
Acht belangrijke levensfasen door Erik Erikson (vijf betreffen ontwikkeling tijdens jeugd, drie de volwassen ontwikkeling) die met
betrekking tot verschillende dimensies verschillende:
- cognitief en intellectueel functioneren
- taal- en communicatievaardigheden
- inzicht in ziekte
- gezondheidszorg en verzorgingsgedrag
Piaget meende dat de cognitieve ontwikkeling in een aantal stadia verloopt, van baby tot volwassene:
- Sensomotorisch stadium: baby verkent de wereld door middel van zintuigelijke waarnemingen en het maken van bewegingen.
- Preoperatieve stadium: er is nog geen sprake van het leggen van objectieve concrete nauwkeurige relaties (kind is bang dat hij met het
water door het afvoerputje kan verdwijnen in bad).
- Stadium van concrete bewerkingen (operaties): kind kan juiste relaties leggen tussen dingen, mits deze dingen in werkelijkheid
aanwezig zijn.
- Stadium van abstracte bewerkingen: concrete aanwezigheid van dingen is niet meer vereist.
We kijken hoe leeftijd een van de bepalende factoren is bij de vorming en ontwikkeling van het denken over gezondheid en ziekte en
concentreren ons op het ziekteconcept.
Ziekteconcept op de leeftijd van 3 tot 13 jaar: op basis van vragen over gezondheid en ziekte stellen Bibace en Walsh dat het inzicht in
ziekte zich geleidelijk ontwikkelt. Vragen hadden betrekking op kennis (wat is verkoudheid); ervaringen (ben je ooit ziek geweest);
attributies (hoe wordt iemand verkouden); en herstel (hoe wordt iemand beter). Ze ontdekten een ontwikkeling in inzicht in ziekte, oorzaken
en behandelingen. Kinderen jonger dan zeven verklaren ziekte op ‘magisch’ niveau, met anderen woorden: verklaringen zijn gebaseerd op
associatie. Aantal stappen in de ontwikkeling voor het zevende jaar:
- Onbegrip: kind geeft irrelevante antwoorden of ontwijkt vragen.
- Fenomenalisme: ziekte is meestal een teken of geluid dat het kind op enig moment met de ziekte in verband heeft gebracht, maar er is
weinig begrip voor oorzaak en gevolg.
- Aangestoken worden: ziekte is meestal afkomstig van een persoon of voorwerp dat dichtbij is, maar waardoor het kind niet
noodzakelijkerwijs wordt aangeraakt.
Ziekteconcept op de leeftijd van 8 tot 11 jaar: Bibace en Walsh beschrijven verklaringen rond deze leeftijd als concreter en gebaseerd op
een logische reeks gebeurtenissen van oorzaak en gevolg:
- Besmetting: kinderen begrijpen in deze fase dat ziekte verschillende symptomen kan hebben en dat bacteriën of zelfs hun eigen gedrag
ziekten kunnen veroorzaken.
- Internalisatie: ziekte bevindt zich in het lichaam, maar het proces waardoor symptomen zich voordoen, wordt slechts gedeeltelijk begrepen.
Deze kinderen kunnen onderscheid maken tussen organen in het lichaam en de functie ervan en ze kunnen specifieke, eenvoudige informatie
over hun ziekte begrijpen.
Ziekteconcept vanaf de puberteit: tijdens deze fase is het nog een abstract begrip volgens Bibace en Walsh: verklaringen zijn gebaseerd
op interacties tussen persoon en zijn omgeving:
- Fysiologisch: rond 11 jaar bereiken ze een fase van fysiologisch inzicht en de meesten kunnen ziekte nu definiëren in termen van specifieke
lichamelijke organen of functies.
- Psychofysiologisch: tijdens de latere puberteit en volwassenheid begrijpen veel mensen dat lichaam en geest interactie vertonen en ze
begrijpen of accepteren de rol van stress, tobben enz. bij de verergering of veroorzaking van ziekte.
Pubers nemen van zichzelf aan dat ze meer controle hebben over het ontstaan en genezing van ziekte en zijn zich beter bewust dat
persoonlijke acties van invloed kunnen zijn op de resultaten. Advies en behandelingen worden beter begrepen en er wordt naar gehandeld,
doordat ze een beter inzicht hebben in complexe therapeutische ingrepen (bijv. ze begrijpen dat progressie van de ziekte kan worden gevolgd
door bloedafname en onderzoek).
Het vermogen van een kind om de aandoening en voorgeschreven behandeling te begrijpen wordt beïnvloed door het niveau van cognitieve
ontwikkeling dat het kind heeft bereikt.
Het doel van de psychologie is het beschrijven, verklaren en voorspellen van gedragsmatige en geestelijke processen en, waar mogelijk, in
deze processen te interveniëren om ze te reguleren of modificeren. Onder deze processen vallen taal, geheugen, concentratie en perceptie,
maar ook emoties, sociaal gedrag en gezondheidsgedrag. De sleutel tot de wetenschappelijke methoden die door psychologen wordt
toegepast, is het elementaire principe dat we de wereld via zintuiglijke waarnemingen kunnen leren kennen, oftewel het empirisme.
Psychologen maken gebruik van wetenschappelijke methoden om alle soorten gedrag en geestelijke processen te onderzoeken, vanaf
de responsactiviteit van één enkele zenuwcel tot aan de rolaanpassingen die bij het ouder worden nodig zijn:
1. We nemen iets waar
2. We definiëren een probleem
3. We verzamelen gegevens
4. We analyseren de gegevens
5. We ontwikkelen een theorie
6. We onderzoeken de theorie door opnieuw gegevens te verzamelen
, De belangrijkste doelstelling van de gezondheidspsychologie (ontleend aan definitie van Matarazzo) is het ontwikkelen van een
inzicht in de biopsychosociale factoren die belangrijk zijn voor:
- de bevordering en het in stand houden van de gezondheid
- het verbeteren van de systemen voor gezondheidszorg en het gezondheidsbeleid
- de preventie en behandeling van ziekte
- de oorzaken van ziekte: bijv. risicofactoren en kwetsbaarheid.
Medische psychologie= is gebaseerd op een in wezen mechanistisch medisch model: een achterliggende beperking veroorzaakt een
symptoom waarvoor behandeling/genezing nodig is om de ‘normale’ gezondheid te herstellen. Gezondheidspsychologen moeten eveneens
inzicht hebben in de verschillende stelsels van het lichaam (vooral zenuw-, hormoon-, en afweerstelsel), maar ook het ademhalingsstelsel en
spijsverteringsstelsel zijn relevant.
Gedragsgeneeskunde= onderzoekt de ontwikkeling en integratie van gedragsmatige en biomedische kennis en technieken die relevant
zijn voor ziekte en gezondheid. Er worden behavioristische principes toegepast (gedrag ontstaat uit leren via klassieke of operante
conditionering). Dankzij gedragsgeneeskunde is het standpunt verspreid dat de geest een directe invloed uitoefent op het lichaam (bijv. door
angst neemt de hartslag toe), en enkele van de voorgestelde therapieën, zoals biofeedback, werken volgens het principe van operante
conditionering en feedback.
Psychosomatische geneeskunde= betekent dat de geest en het lichaam beide zijn betrokken bij ziekte, en wanneer niet gemakkelijk een
organische oorzaak kan worden geïdentificeerd, kan de geest de oorzaak zijn van een lichamelijke reactie die detecteerbaar en meetbaar is.
Met andere woorden: de geest werkt niet alleen, maar samen met het lichaam. Ziekten zonder aanwijsbare, lichamelijke oorzaken worden
psychogeen genoemd. De psychosomatische geneeskunde houdt zich meer bezig met gemengde psychologische, sociale en
biologische/fysiologische verklaringen van ziekte.
Medische sociologie= reflecteert de nauwe relatie tussen psychologie en sociologie. Medische sociologie probeert gezondheid en ziekte te
begrijpen op basis van verschillende sociale factoren die op mensen van invloed kunnen zijn. Dit vakgebied richt zich meer vanuit
psychologisch dan vanuit sociologisch perspectief op de cognities en aannemen van het individu en op zijn reacties op de buitenwereld.
Gezondheidspsychologie= wordt ook wel biopsychosociaal model genoemd; onderwerpen van onderzoek zijn derhalve biologische,
sociale en psychosociale factoren die een rol spelen bij de etiologie, de preventie en de behandeling van ziekte, en bij het bevorderen en in
stand houden van de gezondheid.
Vier benaderingen voor de gezondheidspsychologie:
1. Klinische gezondheidspsychologie
2. Gezondheidspsychologie met betrekking tot de volksgezondheid
3. Gezondheidspsychologie van bepaalde groepen
4. Kritische gezondheidspsychologie
Hoofdstuk 2:
Sociaaleconomische status (SES)= een maat voor de sociale klasse van een individu. Het kent een status- en klassencomponent:
statuscomponent verwijst naar iemands aanzien en leefstijl; de klassencomponent naar dienst (materiële) hulpbronnen. De SES wordt
uitgedrukt in opleiding, beroepsstatus of inkomen. De opleiding is een sterke voorspeller van werk en inkomen in de toekomst.
Gezondheidsverschillen= hiermee worden verschillen in gezondheidstoestand en levensverwachting tussen verschillende groepen
aangeduid.
Genogram= een visuele weergave van de familiebanden van de patiënt.
Fysieke omgeving= betreft woonomstandigheden, de materiële levensstandaard of financiële situatie, fysieke arbeidsomstandigheden en de
fysieke buurtomgeving. Het hangt af van de kwaliteit van de fysieke omgeving of de gezondheid bevordert of schaadt.
De materiële levensstandaard bepaalt of mensen zich gezond voedsel of warme kleding kunnen veroorloven.
Sociale omgeving= betreft sociale netwerken, sociale steun, sociaal kapitaal, sociale cohesie en sociale participatie en integratie.
Bij de verklaring voor gezondheidsverschillen wordt een sociale verklaring tegenover een meer individuele geplaatst.
Sociale veroorzakingsmodel= wordt gesteld dat een lage SES gezondheidsproblemen ‘veroorzaakt’, dat wil zeggen dat het behoren tot een
lage sociaaleconomische klasse bepaalde elementen heeft die een negatieve invloed op de gezondheid van mensen uitoefenen.
Model van de social drift= wordt gesteld dat mensen bij wie een gezondheidsprobleem ontstaat mogelijk niet in staat zijn hun baan te
behouden of niet genoeg te werken om de levensstandaard te handhaven.
Aangeleerde hulpeloosheid= ontstaat als mensen (of dieren) het idee hebben dat ze geen invloed hebben op met name aversieve
gebeurtenissen in hun leven.
Aandoening aan de kransvaten= een vernauwing van de bloedvaten die het hart van bloed en zuurstof voorzien. Kan leiden tot angina
pectoris of hartinfarct.
Prevalentie= het aantal vastgestelde gevallen van een ziekte in een populatie op een bepaald moment. Vaak uitgedrukt als percentage van de
totale populatie of als het aantal gevallen per 100.000 mensen.
John Henryisme= een verklaring die suggereert dat succesvolle zwarte mannen zich harder moeten inspannen dan vergelijkbare blanken om
dezelfde mate van succes te verwezenlijken en de toename van hun bloeddruk reflecteert de stress die met een dergelijke inspanning gepaard
gaat.