1. Drost - specifieke kennis, vaardigheden en attitudes
- In gezondheids opleidingen wordt een impliciete en expliciete houding t.o.v. client aangeleerd
- Client en hulpverlener zijn op papier gelijkwaardig
- Forensisch psychiatrische patienten hebben emotionele problemen, moeite met omgaan met
mensen met een bepaalde autoriteit (opdracht van de rechtbank) en moeten gemotiveerd worden.
- Deze patienten roepen ook weerstand op bij behandelaars, vanwege hun vooroordelen luisteren
ze soms niet echt naar de client en komen ze niet tot zorgvuldige diagnostiek.
- Eerste gesprek is om deze redenen erg belangrijk, niet bedreigend, maar voorspel- en
betrouwbaar.
- Motiveren van patient: hem zijn problemen laten inzien.
- Dingen die een goede behandeling in gevaar brengen: de nieuwschierigheid naar wat er precies
gebeurd is en het ego van de behandelaar die over info beschikt die anderen niet beschikken.
- Belangrijk dat behandelaar niet alles aanneemt wat client zegt, dit is goed voor het respect van
de client.
- Belang van de client staat altijd voorop, maar de behandelaar moet gevaar voor derden
voorkomen.
2. Koenraadt: historische achtergronden bij klinische beoordeling van
gestoord/gevaarlijk gedrag.
Veranderingen in de Forensische psychiatrie en TBS:
1. Populatie onderzochten is veranderd: afkomst van de patienten, omgang tussen
mannen/vrouwen en kinderen, type delict waar rapport voor wordt geschreven (moet tegenwoordig
een ernstig delict zijn).
2. Aard van de rapporten is veranderd: in jaren 60/70 werd er in medisch jargon geschreven,
tegenwoordig meer empirisch/beschrijvender/omvangrijker/gedetailleerder. Meer naduk op de
argumentatie en onderbouwing.
3. Er is sprake van een toenemende professionalisering: steeds meer eisen aan deskundigen,
waardoor meer specialisten ontstaan voor verschillende delinquenten.
4. Er is sprake van een toenemende protoprofessionalisering: steeds meer mensen zien in wat voor
professionals belangrijk is en wat niet waardoor zij gedrag van elkaar overnemen.
5. Er worden meer statistieken en wiskundige methodes gebruikt: er zijn steeds meer
psychometrische instrumenten te vinden in onderzoek, ook steeds meer risicotaxatie instrumenten.
6. Er is sprake van een toenemende juridisering: door de wet TBS van 1986 mogen oude rapporten
niet meer voor tbs oplegging worden gebruikt, aantal mensen dat weigert behandeld te worden is
toegenomen (door longstay).
7. Er is sprake van een toenemende openbaarheid: steeds meer journalisten kijken graag met
rapporteur mee of doen zelf een soort schaduwonderzoek.
8. Er is sprake van een toenemende internationalisering: veel onderzochten komen uit het
buitenland waardoor meer tolken en cultureel deskundigen worden ingeschakeld, er is daarnaast
meer uitwisseling van informatie en het strafrecht is aan meer internationale regelgeving
gebonden.
9. Het strafrechtelijk klimaat is gewijzigd: rechters leggen steeds langere maatregelen op
waardoor er meer penitentiaire instellingen zijn gekomen en de rol van de reclassering in het
gevangenisleven is afgenomen.
3. Koenraadt: de cultureel deskundige in het strafproces
- Bij meer dan 1/4e van de zaken bij de meervoudige kamer wordt een rapport uitgebracht,
,culturele vragen komen echter nauwelijks aan de orde terwijl er steeds meer allochtone
delinquenten zijn.
- Soms wordt er een cultuurdeskundige ingeschakeld: kent de cultuur van de verdachte, kent het
strafrecht, kan met de verdachte communiceren en hierover rapporteren.
- Bij politieonderzoek kan een cultureel deskundige worden ingeschakeld om de recherche te
helpen met zaken waar culturele invloeden een rol kunnen spelen.
- hoewel het culturele verweer niet wordt erkend in het nederlandse strafrecht blijkt toch dat
culturele aspecten een rol kunnen spelen bij het bepalen van de zwaarte van de straf.
- Het strafrecht is meer dader dan daadgeorienteerd geworden, waardoor psychologie opkwam.
- 2 soorten forensische onderzoeken: daadgerichte onderzoeken die crimineel van aard zijn en zich
richten op de waarheidsvinding en dadergerichte onderzoeken waar de verdachte centraal staat.
Het NIFP en het Pieter Baan Centrum richten zich vooral op het laatste.
- Uit onderzoek blijkt dat er vaker een beroep wordt gedaan op culturen verweren als
verontschuldiging en op medische overwegingen die hiervoor worden gebruikt in hoop op
strafvermindering. Culturele verschillen worden zo uitgelegd als psychische aandoendingen.
- Verdachten uit zaken van partnerdoding uit etnische minderheden zoeken minder vaak hulp bij
GGZ. Daarnaast blijkt dat verdachten van etnische minderheden over het algemeen zwaarder
worden bestraft dan nederlandse verdachten van eenzelfde delict.
- Eisen van cultureel deskundige: moet neutrale onpartijdige positie innemen, onderzoek uitvoeren
naar de actuele stand van de wetenschap, rapportage duidelijk genoeg maken voor leken,
gewetensvol en zorgvuldig te werk gaan en zijn rapportage zoeel mogelijk baseren op onderzoek.
4. Mooij: de verhouding tussen psychiatrie en strafrecht.
- Strafrecht gaat er vanuit dat de mens verantwoordelijk is voor eigen gedrag,
zelfbeschikkingsmacht.
- Iemand die niet weet wat hij doet kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor zijn gedrag.
- De psychiatrie richt zich op stoornissen die menselijk handelen beinvloeden: menselijk gedrag
wordt deels dor externe en deels door interne factoren bepaald.
- De psychiatrie aanvaardt de verantwoordelijkheid van de mens niet volledig, psychiatrie gaat uit
van de noties van bepaaldheid van gedrag, de beperktheid van inzicht en de complexiteit van
verantwoordelijkheid.
- de autonomie is een centrale waarde in het recht.
- Door toenemende juridisering: niet alles wat mogelijk is mag meer, voor veel dingen moet patient
in de GGZ eerst toestemming geven. Zo kun je machteloos staan wanneer patient niet mee wil
werken. Er ontstaat dus een conflict tussen psychiatrie en recht en tussen psychiatrie en
samenleving aangezien de wetgeving de centrale waarde van de autonomie concretiseert.
- door de toenemende juridisering worden wel de machtsposities van totaalinstituten tegen
gegaan.
Buruma - De rechter en de vrije wil.
Een strafbepaling bestaat uit een handeling, schade en schuld of opzet.
Opzet is: met willens en wetens de aanmerkelijke kans van een gevolg van je handelen
aanvaarden.
Als de gedachte bij moord vantevoren er goed over heeft na kunnen denken dan is er sprake van
voorbedachte raad. Voorbedachte raad = moord, anders doodslag.
Probleem in de rechtzaal: ontkennen van handeling of opzet door verdachten. Dit moet de rechter
dus door uiterlijke omstandigheden opmaken. Een beslissing komt naast vrije wil ook altijd door
externe omstandigheden tot stand: gelijkwaardige omstandigheden (iedereen doet het) en
historische omstandigheden (vasthouden aan voornemen).
, Externe invloeden hebben op iedereen een andere mate van invloed. De echte keuzevrijheid is
vaak erg beperkt door zoveel externe factoren. De jurist zal het bestaan van een vrije wil niet snel
ontkennen.
Die interne criticus ( jij zelf) is een ingewikkeld neurologisch proces waarbij ook van alles mis kan
gaan (gebrek aan impulscontrole). Geweten ontwikkelt dmv ervaring, tijd en plaats spelen ook een
rol.
Het bestaan van een vrije wil moet wel worden aangenomen omdat de maatschappij dit nodig
heeft. (verantwoordelijkheiddraigen, verkiezingen serieus nemen).
De begrippen wil en geweten zitten de strafjurist nog wel eens in de weg, er wordt echter alleen in
de hele ernstige gevallen bepaald dat de delinquent niet toetgekerens kan worden (meestal
verminder toerekeningsvatbaar) - hiermee zeggen ze dat iemand dus toch een beetje vrije wil
heeft, maar ook dat een verdachte onder invloed van zijn geweten tot inkeer kan komen.