Engels unit 1
Of course vwo/gymnasium 5
● Simple past
Vorm: werkwoord + ed of onregelmatig werkwoord
Wanneer gebruik je deze?
1) in bevestigende zinnen (gewone zinnen)
2) Used to/ would (Als een handeling in het verleden regelmatig werd gedaan, maar nu niet
meer)
a) als het om een situatie/toestand in het verleden gaat, mag alleen used to
gebruikt worden, niet would.
b) In ontkennende zinnen gebruikt je didn’t use to
Voorbeelden:
- Nick fell of his bike yesterday (1)
- My mum used to have a sports car (2a)
- I didn’t use to like learning English (2b)
belangrijk
Als er een keuze is tussen simple past en past continuous en je ziet een feit (fact) dan is het
altijd simple past.
● Past continuous
Vorm: Was/ were + werkwoord + ing
Wanneer gebruik je deze?
1) Iets was op een bepaald moment in het verleden aan de gang (en van korte duur)
2) Iets was aan de gang (past continuous) en werd door iets anders onderbroken (simple
past)
Voorbeelden:
- Rick was sleeping when the teacher came in (1)
- Were you playing tennis when it started to rain? (2)
Belangrijk
Als 2 handelingen na elkaar plaatsvinden gebruik je 2 keer de simple past:
When I got home, I had a cup of tea
Als 2 handelingen tegelijkertijd plaatsvinden, gebruik je 2 keer de past continuous
While my sister was watching tv, I was listening to music
Door: Ilse Keuning Blz 1