Bedrijfseconomie in Balans – Hoofdstuk 21
Lenen tegen een negatieve rente aan de staat-> puur voor de veiligheid. De staat is heel
betrouwbaar.
Vragers van vermogen:
- Overheid: staatsobligaties-> klein risico voor obligatiehouders-> kunnen obligatie via de
markt eerder verkopen dan de looptijd is verstreken zodat ze eerder hun geld krijgen. Als de
marktrente lager is dan de rente op een obligatie? Dan zijn kopers bereid om meer voor de
obligatie te betalen dan de nominale waarde (hoeveel hangt af van de looptijd). Het
tegenovergestelde geldt voor een hogere marktrente.
- Consumenten: via bank: financieringskosten: alle kosten die verbonden zijn aan het lenen
van geld (interest, afsluitkosten, notariskosten)-> in mindering op je te lenen bedrag.
- Banken
- Ondernemingen: eigen- en vreemd vermogen-> eigen vermogen (want aandeelhouder krijgt
zijn geld niet terug-> permanent vermogen) kan een onderneming laten groeien door
aandelen te plaatsen op de effectenbeurs (aandelenemissie). Fonds: een onderneming
waarvan de aandelen zijn genoteerd aan de effectenbeurs. Door een groter eigen vermogen
kan de onderneming meer vreemd vermogen aantrekken-> meer eigen vermogen biedt meer
zekerheid.
Aanbieders van vermogen:
Institutionele beleggers: instellingen die grote bedragen beleggen.
- Pensioenfondsen (ABP): keert vanaf de pensioengerechtigde leeftijd het pensioen uit dat een
aanvulling vormt op de AOW-uitkering.
- Levensverzekeringsmaatschappijen: je kunt je hier tegen betaling van een premie
verzekeren-> vanaf een bepaalde leeftijd periodiek uitgekeerd of in 1x ineens. Nabestaanden
kunnen uitkering ook opeisen.
- Beleggers-> halen hun inkomsten uit winst op de ontvangen premies en koerswinsten.
Periode tussen premiebetaling en uitkering is vaak jaren. Beleggen kan in onroerende zaken
(gebouwen etc.) of aandelen en obligaties.
Institutionele beleggers verstrekken ook vaak onderhandse leningen: langlopende lening,
geldgever en geldnemer hebben rechtstreeks contact. Bank wordt hierbij vaak uitgeschakeld
(kostenvoordelen). Ook kan er nu over de leningsvoorwaarden worden onderhandeld en
betaling van rente en aflossing gaat aanzienlijk sneller-> 1 geldgever. Voordeel voor de
geldnemer: rente is in het algemeen lager dan rentepercentage van obligatielening.
- Particuliere beleggers-> ondernemend sparen (voor mensen met veel geld): bv. door
beursgenoteerde aandelen te kopen, dit kan leiden tot een wisselend inkomen (dividend is
steeds wisselend), ook kan een particulier winst maken door zijn aandeel voor meer geld te
verkopen. Er kan ook verlies worden geleden als het niet goed gaat met een nv-> in
meerdere nv’s investeren.
Ze kunnen ook een beleggingsfonds inschakelen-> beheerst het vermogen en beleggen in
veel verschillende ondernemingen-> spreidt en verkleint hiermee risico’s. beleggingsfondsen
geven participaties uit-> je bent voor een klein deel eigenaar van de aandelenportefeuille van
het fonds.
- Ondernemingen (investeren ≠ beleggen)-> ondernemingen hebben soms geld ‘over’ (hoeft
nog niet uitgekeerd te worden o.i.d.)-> tijdelijk beleggen door aandelen en/of obligaties te
kopen van andere ondernemingen/instellingen.
Lenen tegen een negatieve rente aan de staat-> puur voor de veiligheid. De staat is heel
betrouwbaar.
Vragers van vermogen:
- Overheid: staatsobligaties-> klein risico voor obligatiehouders-> kunnen obligatie via de
markt eerder verkopen dan de looptijd is verstreken zodat ze eerder hun geld krijgen. Als de
marktrente lager is dan de rente op een obligatie? Dan zijn kopers bereid om meer voor de
obligatie te betalen dan de nominale waarde (hoeveel hangt af van de looptijd). Het
tegenovergestelde geldt voor een hogere marktrente.
- Consumenten: via bank: financieringskosten: alle kosten die verbonden zijn aan het lenen
van geld (interest, afsluitkosten, notariskosten)-> in mindering op je te lenen bedrag.
- Banken
- Ondernemingen: eigen- en vreemd vermogen-> eigen vermogen (want aandeelhouder krijgt
zijn geld niet terug-> permanent vermogen) kan een onderneming laten groeien door
aandelen te plaatsen op de effectenbeurs (aandelenemissie). Fonds: een onderneming
waarvan de aandelen zijn genoteerd aan de effectenbeurs. Door een groter eigen vermogen
kan de onderneming meer vreemd vermogen aantrekken-> meer eigen vermogen biedt meer
zekerheid.
Aanbieders van vermogen:
Institutionele beleggers: instellingen die grote bedragen beleggen.
- Pensioenfondsen (ABP): keert vanaf de pensioengerechtigde leeftijd het pensioen uit dat een
aanvulling vormt op de AOW-uitkering.
- Levensverzekeringsmaatschappijen: je kunt je hier tegen betaling van een premie
verzekeren-> vanaf een bepaalde leeftijd periodiek uitgekeerd of in 1x ineens. Nabestaanden
kunnen uitkering ook opeisen.
- Beleggers-> halen hun inkomsten uit winst op de ontvangen premies en koerswinsten.
Periode tussen premiebetaling en uitkering is vaak jaren. Beleggen kan in onroerende zaken
(gebouwen etc.) of aandelen en obligaties.
Institutionele beleggers verstrekken ook vaak onderhandse leningen: langlopende lening,
geldgever en geldnemer hebben rechtstreeks contact. Bank wordt hierbij vaak uitgeschakeld
(kostenvoordelen). Ook kan er nu over de leningsvoorwaarden worden onderhandeld en
betaling van rente en aflossing gaat aanzienlijk sneller-> 1 geldgever. Voordeel voor de
geldnemer: rente is in het algemeen lager dan rentepercentage van obligatielening.
- Particuliere beleggers-> ondernemend sparen (voor mensen met veel geld): bv. door
beursgenoteerde aandelen te kopen, dit kan leiden tot een wisselend inkomen (dividend is
steeds wisselend), ook kan een particulier winst maken door zijn aandeel voor meer geld te
verkopen. Er kan ook verlies worden geleden als het niet goed gaat met een nv-> in
meerdere nv’s investeren.
Ze kunnen ook een beleggingsfonds inschakelen-> beheerst het vermogen en beleggen in
veel verschillende ondernemingen-> spreidt en verkleint hiermee risico’s. beleggingsfondsen
geven participaties uit-> je bent voor een klein deel eigenaar van de aandelenportefeuille van
het fonds.
- Ondernemingen (investeren ≠ beleggen)-> ondernemingen hebben soms geld ‘over’ (hoeft
nog niet uitgekeerd te worden o.i.d.)-> tijdelijk beleggen door aandelen en/of obligaties te
kopen van andere ondernemingen/instellingen.