Inhoudsopgave
Thema 1: vet en spieren................................................................................................................................. 2
Fysiologie hart, bloedsomloop en longen.............................................................................................................2
Ondervoeding.......................................................................................................................................................6
COPD.....................................................................................................................................................................9
Thema 2: Levensloop................................................................................................................................... 15
Zwangerschap.....................................................................................................................................................15
Lichaamssamenstelling en levensloop (osteoporose, prednison en overgewicht bij kinderen).........................21
,Thema 1: vet en spieren
Fysiologie hart, bloedsomloop en longen
De DIO kan de bouw van de cel koppelen aan de functie ervan.
Aan de buitenkant van de cel zit het celmembraan. In de cel zit een vloeistof, het
cytoplasma, hier drijven de organellen van de cel in:
1. De celkern: Heeft een celkernmembraan die om de celkern heen zit. De celkern is het
regel centrum, hierin ligt onze erfelijke informatie (DNA) opgeslagen.
2. De mitochondrium: Is de motor van de cel, hier wordt ATP geproduceerd.
3. Het endoplasmatisch reticulum (ER): Bestaat uit twee delen:
a. Ruw ER: Is bedekt met ribosomen en is verantwoordelijk voor de productie
van eiwitten.
b. Glad ER: Hier zitten geen ribosomen op, het gladde ER zorgt voor de transport
van eiwitten
4. Het golgi-systeem (of golgi-apparaat): Zorgt ervoor dat het eiwit dat gemaakt is in de
cel blijft of de cel uit gaat.
5. Lysosoom: Zijn de ‘opruimers’ van de cel, ze zorgen ervoor dat alles wat niet in de cel
thuis hoort opgeruimd en afgebroken wordt. In een lysosoom zitten afbraak
enzymen, dat zijn eiwitten die speciaal bedoeld zijn om lange moleculen af te breken
tot hele kleine.
, De DIO kan de bouw van het ademhalingsstelsel koppelen aan de werking ervan.
Bovenste luchtwegen: neus- en mondholte, keelholte (pharynx) en strottenhoofd (larynx).
Onderste luchtwegen: luchtpijp (trachea), vertakt in 2 hoofdbronchiën, en in steeds kleinere
takken.
De onderste luchtwegen bevatten in hun wand kraakbeen, dit zorgt ervoor dat de
luchtwegen open blijven. De binnenbekleding bestaat uit trilhaarepitheel met slijm
producerende cellen.
Trilhaarepitheel reinigt: verplaatst de slijm (slijm vangt vuil- en stofdeeltjes op) naar de
keelholte, dit kan worden opgehoest of doorgeslikt.
De bronchi vertakken zich in bronchioli, geen kraakbeen maar vooral glad spierweefsel in
hun wand (elastisch).
Bij inademing (inspiratie): ontspant glad spierweefsel, verwijden bronchioli.
Uitademing (expiratie): spierweefsel trekt samen.
Bronchioli monden uit in de longtrechtertjes, deze heeft een aantal uitstulpingen: de
longblaasjes (alveoli), de wand hiervan is veerkrachtig. De alveoli wand is zeer dun en wordt
omringt door haarvaten (capillairen). Hier vindt de uitwisseling van lucht plaats
(gaswisseling), daar ademhaling (respiratie) wordt de lucht steeds ververst.
De longen zijn d.m.v. longvliezen ‘vastgeplakt’ aan de wand van de borstkas (thorax).
Vergroten volume thoraxholte is mogelijk door:
- Aanspannen van de buitenste tussenribspieren, waardoor de ribben omhoog worden
getrokken (borstademhaling).
- Aanspannen (afplatten) van het middenrif, waardoor de buikwand naar voren beweegt
(buikademhaling).