Geslacht & extraversie
Academische opdracht TMLS
, Inleiding
Uit de theorie van Jung uit 1921 (Hills & Argyle, 2001) blijkt dat de manier waarop mensen
naar de wereld om zich heen kijken verschilt tussen personen. Zo zijn introverte personen
meer gericht op zichzelf en extraverte personen meer op anderen. Dit is de basis geworden
voor de persoonlijkheidsdimensie ‘extraversie’, welke nu is opgenomen in de zogenaamde
‘Big Five’ van de persoonlijkheidskenmerken (Goldberg, 1990). Een introvert persoon zal
zich eerder terug trekken uit sociale situaties en bij deze persoon zullen meer interne
processen gaande zijn dan expressiviteit (Eysenck, 1998). Een extravert persoon is gezellig,
energiek, positief, uit zijn of haar gevoelens gemakkelijk en neemt de leiding (Horsten, 2011).
Om te onderzoeken of er verschil is tussen jongens en meisjes in de mate van extraversie
wordt in dit onderzoek antwoord gegeven op de vraag: ‘Is er een verband tussen sekse en de
mate van extraversie, bij jongeren van 12 tot 18 gemeten met de BFI?’. Om deze vraag te
kunnen beantwoorden zal gebruik worden gemaakt van vragenlijsten. Uit de data die uit deze
vragenlijsten naar voren komt worden enkel de vragen gebruikt die betrekking hebben op
extraversie en de gemiddelde uitkomsten per sekse worden vergeleken. Zo kan een conclusie
worden getrokken over het verschil in de mate van extraversie tussen de seksen.
Op het gebied van extraversie blijkt er verschil tussen de seksen te zijn. Namelijk komt uit
onderzoek naar de invloed van extraversie op een cognitieve toenadering, een gedragsmatige
toenadering of een ontwijkende aanpak van jongens en meisjes naar voren dat extraversie bij
jongens alle drie de aanpakken voorspelt (Gomez, Holmberg, Bounds, Fullarton & Gomez,
1999). De mate van extraversie is bij jongens dus van groot belang bij het voorspellen van
hun gedragingen en zou een grote rol kunnen spelen in het verklaren en analyseren van
toenaderend en ontwijkend gedrag van jongens. Bij meisjes voorspelt extraversie alleen de
cognitieve en gedragsmatige toenadering, dus extraversie interacteerde bij meisjes niet
(Gomez et al., 1999).
Academische opdracht TMLS
, Inleiding
Uit de theorie van Jung uit 1921 (Hills & Argyle, 2001) blijkt dat de manier waarop mensen
naar de wereld om zich heen kijken verschilt tussen personen. Zo zijn introverte personen
meer gericht op zichzelf en extraverte personen meer op anderen. Dit is de basis geworden
voor de persoonlijkheidsdimensie ‘extraversie’, welke nu is opgenomen in de zogenaamde
‘Big Five’ van de persoonlijkheidskenmerken (Goldberg, 1990). Een introvert persoon zal
zich eerder terug trekken uit sociale situaties en bij deze persoon zullen meer interne
processen gaande zijn dan expressiviteit (Eysenck, 1998). Een extravert persoon is gezellig,
energiek, positief, uit zijn of haar gevoelens gemakkelijk en neemt de leiding (Horsten, 2011).
Om te onderzoeken of er verschil is tussen jongens en meisjes in de mate van extraversie
wordt in dit onderzoek antwoord gegeven op de vraag: ‘Is er een verband tussen sekse en de
mate van extraversie, bij jongeren van 12 tot 18 gemeten met de BFI?’. Om deze vraag te
kunnen beantwoorden zal gebruik worden gemaakt van vragenlijsten. Uit de data die uit deze
vragenlijsten naar voren komt worden enkel de vragen gebruikt die betrekking hebben op
extraversie en de gemiddelde uitkomsten per sekse worden vergeleken. Zo kan een conclusie
worden getrokken over het verschil in de mate van extraversie tussen de seksen.
Op het gebied van extraversie blijkt er verschil tussen de seksen te zijn. Namelijk komt uit
onderzoek naar de invloed van extraversie op een cognitieve toenadering, een gedragsmatige
toenadering of een ontwijkende aanpak van jongens en meisjes naar voren dat extraversie bij
jongens alle drie de aanpakken voorspelt (Gomez, Holmberg, Bounds, Fullarton & Gomez,
1999). De mate van extraversie is bij jongens dus van groot belang bij het voorspellen van
hun gedragingen en zou een grote rol kunnen spelen in het verklaren en analyseren van
toenaderend en ontwijkend gedrag van jongens. Bij meisjes voorspelt extraversie alleen de
cognitieve en gedragsmatige toenadering, dus extraversie interacteerde bij meisjes niet
(Gomez et al., 1999).