Samenvatting OWE 2 Voeding en Energie
Cursus 1 Voeding en Bewegen
Week 1
Thema 1 Meten = weten
Energiegebruik: Hoeveel energie je dagelijks verbrand (factoren: leeftijd, lichaamssamenstelling,
beweging).
3 componenten:
- Ruststofwisseling (BMR)
- Thermogenese (energiegebruik wat nodig is om de voeding te verteren, op te nemen en te
verplaatsen.
- Fysieke activiteit
Energie-inname: Hoeveel energie, hoeveel calorieën je inneemt via de voeding
Energiebalans: Energie-inname ten opzichte van energiegebruik.
TEE: Total Energy Expenditure = totaal energiegebruik in 24 uur
- Je kent veelgebruikte metingen om de lichaamssamenstelling te meten en kan deze
toepassen bij gezonde volwassenen. (bio-impedantie, huidplooimeter, weegschaal,
centimeter)
- Je kent veelgebruikte apparatuur om de hoeveelheid lichaamsbeweging (intensiteit) in te
schatten of te meten. (hartslagmeter, PAM, stappenteller)
1. Bio-impedantiemeter:
Weerstand van een stroom wordt gemeten. Vetmassa biedt meer weerstand dan vetvrije massa.
Hiermee meet je dus het vetpercentage van je lichaam.
2. Hartslagmeter
Bij sporten: geeft aan of je op het juiste niveau sport
Hoge hartslag > snel dalen na inspanning = goede conditie
3. Accelerometer: versnellingsopnemer
4. PAM:
Physical Activity Monitor, geeft aan hoeveel stappen je hebt gezet en wat de intensiteit is en hoeveel
calorieën hierbij verbrand worden. Hij meet ook de versnelling.
5. Stappensteller/pedometer:
Werkt niet altijd nauwkeurig, door trillingen al snel veel stappen erbij.
6. Huidplooimeter:
Meet de vetlaag onder je huid
7. Weegschaal (met vet% meter)
Betrouwbaar als je op hetzelfde moment weegt (en met of zonder schoenen > zelfde iedere keer)
8. Centimeter: om je lengte te meten, middelomtrek etc.
- Je kunt de uitslagen van bovengenoemde metingen interpreteren en hierbij de relatie leggen
met de gezondheid voor gezonde volwassenen.
BMI (kg/M2)
,Middelomtrek (cm)
Vetpercentage (%)
- Je kent begrip RQ en kan een relatie leggen met het verbranden van macrovoedingsstoffen
en de intensiteit van bewegen.
RQ: Respiratoir Quotiënt: (ZIE WEEK 8 VOOR MEER UITLEG)
Verbruikte O2 gedeeld door vrij gekomen CO2
RQ vet: 0,4
RQ KH: 1,0
Thema 2 Hoeveel energie heb ik nodig?
- Je kunt de energiebehoefte van een cliënt bepalen.
Energiegebruik schatten:
BMR:
Formules
- Harris & Benedict (H&B)
G = gewicht in kg H = lengte in cm L=leeftijd in jr
Mannen: BMR = 88,362 + (13,397 X G) + (4,799 X H) - (5,677 X L)
Vrouwen: BMR 447,593 + (9,247 X G) + (3,098 X H) - (4,33 X L)
Schofield: basaalstofwisseling (MJ/d) = a + b x lichaamsgewicht
Meten
Ventilated hood > CO2 en O2 concentraties van in- en uitgaande lucht meten.
PAL: Physical Activity Level
Inschatting van de totale dagelijkse activiteitenniveau ofwel PAL
- mensen die de gehele dag zitten en/of liggen 1,2
- zittende arbeid zonder onderbreking en nagenoeg geen beweging in de vrije tijd 1,4-1,5
- zittende arbeid afgewisseld met rondlopen en nagenoeg geen beweging in vrije tijd 1,6-1,7
- staande arbeid 1,8-1,9
-veel lichamelijke inspanning tijdens arbeid en in vrije tijd 2,0-2,4
- bij extreme fysieke belasting +/- 5,0
Energiegebruik = BMR x PAL (in kcal per dag)
PAL: gebruik je om het 24-uurs E-gebruik in 1 keer te schatten
, MET: Metabole Equivalenten: gebruik je om het energiegebruik van een bepaalde activiteit gedurende
een afgebakende tijdsduur te bepalen. 1 MET komt overeen met het niveau van energiegebruik in
rust. 5 MET komt dus overeen met een energieverbruik van 5 maal het energieverbruik in rust.
- Je weet welke factoren van invloed zijn op de energiebehoefte.
- Activiteiten (intensiteit/snelheid ,tijdsduur ,lichaamsgewicht)
- Spiermassa (lichaamssamenstelling)
- gewicht
- lengte
- leeftijd
- geslacht
eiwitten en alcohol > verhogen het energieverbruik meer als koolhydraten en vetten
hogere inname van vetten zorgt vaak voor een hogere energie-inname
- Je weet welke factoren van invloed zijn op de energiebalans.
Wanneer is iemand in energiebalans?
- Energiegebruik = energie-inneming (kcal in evenwicht)
- Geen dagelijks evenwicht maar in periode van 2-3 weken
- Betekent niet dat iemand het juiste gewicht heeft (het betekent dat je op gewicht blijft, niet
aankomt en dus niet afvalt)
- Je kent verschillende methodieken voor het meten van de energie inname.
- voedingsdagboek
- mondeling interview over dagelijkse voeding
- Je kunt het energieverbruik tijdens beweging en sport achterhalen.
PAL of bereken het kcal verbruik per activiteit (zie activiteitentabel uit HC)
Intensiteit vs. Substraat
- Welke invloed heeft de inspanningsintensiteit op de verbranding van de verschillende
brandstoffen?
- Wat is de invloed van de inspanningsintensiteit op het energieverbruik (afvallen)?
- Je kunt de relatie uit leggen tussen de begrippen “activiteitendagboek & RQ” en het
“energieverbruik”.
Door middel van het activiteitendagboek dat de cliënt bij houdt en het RQ dat kan worden gemeten
weet je het energieverbruik d.m.v. activiteiten en de ruststofwisseling dat samen het energieverbruik
maakt.
- Je kunt antropometrische gegevens (BMI, vetpercentage, middelomtrek, huidplooimetingen)
interpreteren en de cliënt op basis van deze gegevens adviseren over zijn of haar
lichaamssamenstelling.
> zie tabellen middelomtrek, BMI en vetpercentage
- Je kent de overeenkomsten en verschillen tussen de Voedingsnormen.
???
- Je bent bekend met de literatuurbron de Artsenwijzer voor Diëtetiek en de richtlijn voor
‘gezond’ afvallen.
Cursus 1 Voeding en Bewegen
Week 1
Thema 1 Meten = weten
Energiegebruik: Hoeveel energie je dagelijks verbrand (factoren: leeftijd, lichaamssamenstelling,
beweging).
3 componenten:
- Ruststofwisseling (BMR)
- Thermogenese (energiegebruik wat nodig is om de voeding te verteren, op te nemen en te
verplaatsen.
- Fysieke activiteit
Energie-inname: Hoeveel energie, hoeveel calorieën je inneemt via de voeding
Energiebalans: Energie-inname ten opzichte van energiegebruik.
TEE: Total Energy Expenditure = totaal energiegebruik in 24 uur
- Je kent veelgebruikte metingen om de lichaamssamenstelling te meten en kan deze
toepassen bij gezonde volwassenen. (bio-impedantie, huidplooimeter, weegschaal,
centimeter)
- Je kent veelgebruikte apparatuur om de hoeveelheid lichaamsbeweging (intensiteit) in te
schatten of te meten. (hartslagmeter, PAM, stappenteller)
1. Bio-impedantiemeter:
Weerstand van een stroom wordt gemeten. Vetmassa biedt meer weerstand dan vetvrije massa.
Hiermee meet je dus het vetpercentage van je lichaam.
2. Hartslagmeter
Bij sporten: geeft aan of je op het juiste niveau sport
Hoge hartslag > snel dalen na inspanning = goede conditie
3. Accelerometer: versnellingsopnemer
4. PAM:
Physical Activity Monitor, geeft aan hoeveel stappen je hebt gezet en wat de intensiteit is en hoeveel
calorieën hierbij verbrand worden. Hij meet ook de versnelling.
5. Stappensteller/pedometer:
Werkt niet altijd nauwkeurig, door trillingen al snel veel stappen erbij.
6. Huidplooimeter:
Meet de vetlaag onder je huid
7. Weegschaal (met vet% meter)
Betrouwbaar als je op hetzelfde moment weegt (en met of zonder schoenen > zelfde iedere keer)
8. Centimeter: om je lengte te meten, middelomtrek etc.
- Je kunt de uitslagen van bovengenoemde metingen interpreteren en hierbij de relatie leggen
met de gezondheid voor gezonde volwassenen.
BMI (kg/M2)
,Middelomtrek (cm)
Vetpercentage (%)
- Je kent begrip RQ en kan een relatie leggen met het verbranden van macrovoedingsstoffen
en de intensiteit van bewegen.
RQ: Respiratoir Quotiënt: (ZIE WEEK 8 VOOR MEER UITLEG)
Verbruikte O2 gedeeld door vrij gekomen CO2
RQ vet: 0,4
RQ KH: 1,0
Thema 2 Hoeveel energie heb ik nodig?
- Je kunt de energiebehoefte van een cliënt bepalen.
Energiegebruik schatten:
BMR:
Formules
- Harris & Benedict (H&B)
G = gewicht in kg H = lengte in cm L=leeftijd in jr
Mannen: BMR = 88,362 + (13,397 X G) + (4,799 X H) - (5,677 X L)
Vrouwen: BMR 447,593 + (9,247 X G) + (3,098 X H) - (4,33 X L)
Schofield: basaalstofwisseling (MJ/d) = a + b x lichaamsgewicht
Meten
Ventilated hood > CO2 en O2 concentraties van in- en uitgaande lucht meten.
PAL: Physical Activity Level
Inschatting van de totale dagelijkse activiteitenniveau ofwel PAL
- mensen die de gehele dag zitten en/of liggen 1,2
- zittende arbeid zonder onderbreking en nagenoeg geen beweging in de vrije tijd 1,4-1,5
- zittende arbeid afgewisseld met rondlopen en nagenoeg geen beweging in vrije tijd 1,6-1,7
- staande arbeid 1,8-1,9
-veel lichamelijke inspanning tijdens arbeid en in vrije tijd 2,0-2,4
- bij extreme fysieke belasting +/- 5,0
Energiegebruik = BMR x PAL (in kcal per dag)
PAL: gebruik je om het 24-uurs E-gebruik in 1 keer te schatten
, MET: Metabole Equivalenten: gebruik je om het energiegebruik van een bepaalde activiteit gedurende
een afgebakende tijdsduur te bepalen. 1 MET komt overeen met het niveau van energiegebruik in
rust. 5 MET komt dus overeen met een energieverbruik van 5 maal het energieverbruik in rust.
- Je weet welke factoren van invloed zijn op de energiebehoefte.
- Activiteiten (intensiteit/snelheid ,tijdsduur ,lichaamsgewicht)
- Spiermassa (lichaamssamenstelling)
- gewicht
- lengte
- leeftijd
- geslacht
eiwitten en alcohol > verhogen het energieverbruik meer als koolhydraten en vetten
hogere inname van vetten zorgt vaak voor een hogere energie-inname
- Je weet welke factoren van invloed zijn op de energiebalans.
Wanneer is iemand in energiebalans?
- Energiegebruik = energie-inneming (kcal in evenwicht)
- Geen dagelijks evenwicht maar in periode van 2-3 weken
- Betekent niet dat iemand het juiste gewicht heeft (het betekent dat je op gewicht blijft, niet
aankomt en dus niet afvalt)
- Je kent verschillende methodieken voor het meten van de energie inname.
- voedingsdagboek
- mondeling interview over dagelijkse voeding
- Je kunt het energieverbruik tijdens beweging en sport achterhalen.
PAL of bereken het kcal verbruik per activiteit (zie activiteitentabel uit HC)
Intensiteit vs. Substraat
- Welke invloed heeft de inspanningsintensiteit op de verbranding van de verschillende
brandstoffen?
- Wat is de invloed van de inspanningsintensiteit op het energieverbruik (afvallen)?
- Je kunt de relatie uit leggen tussen de begrippen “activiteitendagboek & RQ” en het
“energieverbruik”.
Door middel van het activiteitendagboek dat de cliënt bij houdt en het RQ dat kan worden gemeten
weet je het energieverbruik d.m.v. activiteiten en de ruststofwisseling dat samen het energieverbruik
maakt.
- Je kunt antropometrische gegevens (BMI, vetpercentage, middelomtrek, huidplooimetingen)
interpreteren en de cliënt op basis van deze gegevens adviseren over zijn of haar
lichaamssamenstelling.
> zie tabellen middelomtrek, BMI en vetpercentage
- Je kent de overeenkomsten en verschillen tussen de Voedingsnormen.
???
- Je bent bekend met de literatuurbron de Artsenwijzer voor Diëtetiek en de richtlijn voor
‘gezond’ afvallen.