Deel 1. Ontwikkeling en Financiering
1. De wereld van de producent
Een producent houdt zich met verschillende dingen bezig op de set: script, planning, budgettering,
techniek, marketing, juridische zaken, leiding geven aan eigen bedrijf etc.
Cultuurproducten hebben een uniek karakter = hun kwaliteit of publieke belang is moeilijk te
voorspellen.
Film heeft gemeen met toneel en opera, dat productiekosten op lopen in tonnen/miljoenen
4 soorten producenten:
1. Zakelijk, productioneel en voorwaardenscheppend georiënteerd
2. Inhoudelijk gedreven (= creatieve producent)
3. Ideale producenten (=beide goed)
4. Producenten die geen van beide kunnen
Producent creëert de ideale omstandigheden voor elke film waaraan hij zich heeft verbonden
Enthousiasmeren, anticiperen, monitoren, sturen, begeleiden, bemiddelen en verzoenen.
Onafhankelijke producent valt onder het midden- en kleinbedrijf (MKB)
< 10 werknemers = micro-ondernemingen
4 type bioscoopfilms:
1. Mainstreamfilm
2. Arthousefilm
3. Kinderfilm
4. Documentaire
Speelfilm drie types:
- Mainstreamfilm: (commerciële film/publiksfilm) brede publiek, genre films, hoofdrollen zijn
voor bekende acteurs, high concept: zo herkenbaar en eenduidig dat hun verhaal zich in één
zin laat vangen.
- Arthousefilm: (artistieke films/auteursfilms /kunstzinnige films) meer sophisticated publiek,
persoonlijke visie van de filmmaker en zijn eigenzinniger in vorm- en onderwerpkeuze.
Kleinere doelgroep, wereldfilms.
Cross-over/ kwaliteitsfilms: als arthousefilm meer bezoekers trekken dan verwacht (mainstreamfilms)
- Kinderfilm: = familiefilms, ale grote NL bioscoop successen, meerdere dolgroepen tegelijk
aanspreken, Reclame (= joint promotion, fast moving consumer goods en consumenten
producten (levensmiddelen))
Documentaire: gelieerd aan tv, moeilijk in bioscoop te exploiteren, wordt vaak verkort op tv, klein
budget.
De slate (= brede waaier van levensvatbare filmplannen) is het fundament van elk
filmproductiebedrijf.
,Elke filmtype is een specialisme en heeft een eigen netwerk van makers, financiers en concurrenten.
Vraag en aanbod
De producent kiest een film d.m.v. een aanvoer scenario’s.
Unsolicited (ongevraagd aangeboden)
Lezer aannemen als de senario’s en scrips te veel worden.
Head of development (dramaturg/script-editor) = verantwoordelijk voor de selectie en begeleiding
van projecten.
(literary) Property: auteursrechtelijk materiaal voor een film waarnaar de filmproducent actief naar
op zoek gaat. (weerspiegelt zakelijke relatie tussen maker en producent)
Boekverfilmingen en verhalen uit de public domain hebben hun voordelen en beperkingen ten
opzichte van een oorspronkelijk scenario.
Een omwerking van boek naar film vraagt om veel creativiteit. Er moet invulling worden gegeven van
wat de schrijver heeft weggelaten (uiterlijk personages, hun wereld)
Persbericht voor een film (verfilming), omdat…
1. Om betrokkenen een kans te geven om te reageren
2. Om het initiatief af te schermen van producenten. (het is nu van hen, hun idee)
Kwaliteit
De eerste gebruiker (producent) beoordeelt op aansluiting bij de behoeften van zijn bedrijf.
De behoeften van toekomstige gebruikers (bijv. bioscoopbezoekers) inventariseren en met elkaar in
overeenstemming brengen.
Creative producer: kennis van scenario schrijven en managen van schrijfproces.
Cultureel competent: op de hoogte van wat er in de wereld om hem heen speelt, dat houdt de
producer creatief en flexibel, en daar doet hij ook ideeën op op het gebied van muziek, styling en
casting.
2. Scenario – ontwikkeling
Verschil tussen jong en gevorderd talent = jong talent heeft enorme openheid, die ontregelend werkt
Verschil film en televisieserie = serie is groter team (meestal 6 à 8 personen) en gezelliger (niet zo
serieus)
Van Focus-puller tot foley, van logline tot picture-lock
Aristoteles: ‘causaliteit’ een verhaal moet zich op een natuurlijke manier ontwikkelen, met
personages, wendingen en complicaties die geloofwaardig zijn voor het publiek.
Scenario bij documentaire = ‘Een filmplan’
Documentaire: Je moet de realiteit vastgrijpen die veranderlijk is (belangrijk: vertrouwen (credibity)
opbouwen bij de mensen of de organisatie die je gaat filmen)
, De kernbegrippen:
Het personage
Specifieke eigenschappen van personage maken ze interessant. De achterliggende gedachte (van
bijv. het verleden van het personage) is interessant.
Back story: het verhaal dat op de achtergrond steeds een rol speelt.
Hoofdpersoon = protagonist.
Slechterik = antagonist. (tegenwerken)
Mainstream films = sympathiek hoofdpersoon. Arthouse films: geen sympathiek hoofdpersoon
Redeeming factor: je geeft de slechterik scènes waaruit blijkt dat hij menselijke trekken heeft.
Drama
Er kan binnen de film maar 1 hoofddoel zijn. Het doel van de hoofdpersoon moet weerstand
oproepen. Dit kan door de antagonist (kan ook de hele maatschappij zijn) , voortkomen uit
omstandigheden van het personage of binnen het personage zelf liggen.
Wanneer de hoofdpersoon iets moeilijk voor elkaar krijgt ontstaan drama
De Aktenstructuur
Structuur van het verhaal:
TV: Doorkijkeffect (= het verband tussen de delen speelt een rol)
Film: drie akten: kop, romp en staart.
Kop: voorstellen personage. Het centrale conflict en de obstakel is duidelijk.
Romp: verhaal wordt verder uitgewerkt. Betrokkenheid van de kijker wordt vergroot. Nieuwe
personages en obstakels. Hoofdpersonage ontwikkelt zich.
Staart: verhaal wordt tot einde gebracht. Hoofdpersonage is van binnen veranderd.
Handelingen en dialogen
Significant action: handelingen die het verhaal verder helpt.
Dialogen en handelingen worden gebruikt om personages te kleuren.
Identificatie
1. “meeleven” met het personage.
Objectief drama = voor iedereen spannend (liefde, gevaar, geboorte en dood)
Subjectief drama = wanneer de kijker iets weet van een personage en betrokken raakt.
2. Kijker heeft een kennisvoorsprong.
Dramatic irony: het geven van een voorsprong en dat het personage deze weer inhaalt.
Spanningsboog
Hope versus fear: kijker hoopt op een goede afloop voor het personage dat in strijdt is met de angst
voor een slechte uitkomst.
Main tension = de Hoofdspanningsboog. (met diepgevoelde wens om iets te veranderen)
Tijd
Shot = de mogelijkheid om het blikveld van de kijker nauwkeurig te bepalen
Shot + tijd = twee van de meest karakteristieke eigenschappen van medium film.
Real time: hoeveel tijd het in werkelijkheid kost om een handeling te doen
Screen time: de tijd die deze handeling in de film krijgt.
Ellips: inkorten van real time door stukjes handelingen weg te laten, zonder dat kijker het door heeft.
Elaboration: het uitrekken van een handeling om er de nadruk op te leggen
Tijdframe = het tijdshot dat met de kijker is afgesproken (bijv. Notting Hill, blz. 40)