Voorwoord
We leven in een wereld met veel vierkanten. Dus perspectief is heel belangrijk.
Ook de manier waarop verschillende mensen naar dezelfde wereld kijken is anders. Een lange man
ziet andere dingen dan een klein kind, qua perspectief, maar zien toch dezelfde mensen en
gebouwen
Hoofdstuk 1
1. De Horizon
a. Continue lijn
b. Altijd aanwezig, niet altijd zichtbaar
c. Waar de lucht en aarde samen lijken te komen
2. Het verdwijnpunt
a. Objecten kunnen soms hele lang doorgaan, totdat je ze niet meer met het blote oog
kan zien. Ze gaan dan naar een verdwijnpunt
3. Ooghoogte
a. Je horizon en ooghoogte zijn altijd hetzelfde
b. Als je in een vliegtuig zit zie je dat de horizon ook omhoog gaat. Het blijft hetzelfde
met je ooghoogte
c. De hoogte van de ogen zijn erg belangrijk als het gaat over tekenen uit de lossen pols
Hoofdstuk 2
1. De ooghoogte en zijn relatie met perspectief tekenen
a. Oog level is altijd een rechte lijn
b. Kan worden gezien als een high water line
c. Hoogte van de lijn verschilt als je staat of zit
Hoofdstuk 3
1. Parallellen lijnen zoals we ze zien
a. Hoe verder je kijkt, hoe meer dat gene wat je ziet een stipt lijkt te worden op de
horizon. En hoe dichterbij hoe breder
2. Parallellen lijnen gerelateerd aan 1-puntsperspectief
a. Een groep parallellen lijnen verdwijnen in hetzelfde punt
b. Lijnen die evenwijdig lopen aan de horizon hebben geen verdwijnpunt
c. Lijnen die loodrecht lopen, dus bijv verticaal, hebben ook geen verdwijnpunt
3. Het beeldvlak (picture plane)
a. Kan je natekenen via gaatje in papier en dan op glas tekenen wat je er door heen ziet
b. Staat rechtop tussen de kunstenaar en het object dat hij wilt tekenen
Hoofdstuk 4
1. De 3 sets van parallellen
a. Hoogte, lengte, breedte lijnen
2. Lokaliseren van het punt en de ooghoogte