Samenvatting Hoofdstuk 1. Elektriciteit
• Het elektrisch vermogen van een apparaat (in W) is de hoeveelheid elektrische
energie die het apparaat per seconde omzet (in J/s)
• Elektrische apparaten zetten elektrische energie om in andere vormen van energie,
waaronder warmte
• Twee eenheden voor elektrische energie zijn joule (J) en kilowattuur (kWh)
• Het rendement van een apparaat is het percentage van de ingaande energie dat
wordt omgezet in nuttige energie
• In conventionele centrales en kerncentrales wordt elektrische energie opgewekt met
behulp van stroomturbines en generatoren
• Waterkracht, windenergie en zonne-energie zijn duurzame energiebronnen
• De energiedichtheid is de hoeveelheid energie die een energiebron per kilogram
bevat
• In een metaal bestaat de elektrische stroom uit bewegende elektronen
• In een vloeistof bestaat de elektrische stroom uit bewegende ionen
• De spanning van de bron is de oorzaak van de beweging van de elektronen. Een grote
spanning zorgt voor een grotere kracht op de geladen deeltjes
• Er loopt alleen een elektrische stroom door een apparaat is opgenomen in een
gesloten stroomkring
• De stroomsterkte is de hoeveelheid lading die per seconde door een apparaat gaat
• Het vermogen van een apparaat is evenredig met het aantal elektronen dat per
seconde door het apparaat stroomt, dus met de stroomsterkte
• Het vermogen van een apparaat is evenredig met de energie die elk elektron afgeeft,
dus met de spanning
• Met een transformator wordt de spanning verhoogd of verlaagd.
• De geleidbaarheid bepaalt hoeveel stroom er loopt bij een bepaalde spanning
• Als de geleidbaarheid groot is, is de weerstand klein en omgekeerd
• De weerstand van een stroomdraad is evenredig met de lengte van de draad
• De weerstand van een stroomdraad is omgekeerd evenredig met de oppervlakte van
de dwarsdoorsnede van de draad
• De weerstand van een stroomdraad hangt af van het materiaal waar de draad van
gemaakt is
• Of de weerstand van een stroomdraad verandert met de temperatuur, hangt af van
het materiaal van de draad
• De weerstand van een apparaat is de spanning over het apparaat gedeeld door de
stroomsterkte erdoor
• De stroomsterkte door een ohmse weerstand is evenredig met de spanning
• Het aantal vrije elektronen in een halfgeleider kan veranderen, waardoor de
weerstand verandert
• Een diode laat de stroom slecht in één richting door
• De weerstand van een LDR neemt af als er meer licht op valt
• De weerstand van een NTC neemt af als de temperatuur stijgt
• De weerstand van een PTC neemt toe als de temperatuur stijgt
• In een parallelschakeling is de spanning over elk apparaat hetzelfde
• In een parallelschakeling is de totale stroomsterkte gelijk aan de som van de
stroomsterktes door de apparaten
• In een serieschakeling is de stroomsterkte door elk apparaat hetzelfde
• Het elektrisch vermogen van een apparaat (in W) is de hoeveelheid elektrische
energie die het apparaat per seconde omzet (in J/s)
• Elektrische apparaten zetten elektrische energie om in andere vormen van energie,
waaronder warmte
• Twee eenheden voor elektrische energie zijn joule (J) en kilowattuur (kWh)
• Het rendement van een apparaat is het percentage van de ingaande energie dat
wordt omgezet in nuttige energie
• In conventionele centrales en kerncentrales wordt elektrische energie opgewekt met
behulp van stroomturbines en generatoren
• Waterkracht, windenergie en zonne-energie zijn duurzame energiebronnen
• De energiedichtheid is de hoeveelheid energie die een energiebron per kilogram
bevat
• In een metaal bestaat de elektrische stroom uit bewegende elektronen
• In een vloeistof bestaat de elektrische stroom uit bewegende ionen
• De spanning van de bron is de oorzaak van de beweging van de elektronen. Een grote
spanning zorgt voor een grotere kracht op de geladen deeltjes
• Er loopt alleen een elektrische stroom door een apparaat is opgenomen in een
gesloten stroomkring
• De stroomsterkte is de hoeveelheid lading die per seconde door een apparaat gaat
• Het vermogen van een apparaat is evenredig met het aantal elektronen dat per
seconde door het apparaat stroomt, dus met de stroomsterkte
• Het vermogen van een apparaat is evenredig met de energie die elk elektron afgeeft,
dus met de spanning
• Met een transformator wordt de spanning verhoogd of verlaagd.
• De geleidbaarheid bepaalt hoeveel stroom er loopt bij een bepaalde spanning
• Als de geleidbaarheid groot is, is de weerstand klein en omgekeerd
• De weerstand van een stroomdraad is evenredig met de lengte van de draad
• De weerstand van een stroomdraad is omgekeerd evenredig met de oppervlakte van
de dwarsdoorsnede van de draad
• De weerstand van een stroomdraad hangt af van het materiaal waar de draad van
gemaakt is
• Of de weerstand van een stroomdraad verandert met de temperatuur, hangt af van
het materiaal van de draad
• De weerstand van een apparaat is de spanning over het apparaat gedeeld door de
stroomsterkte erdoor
• De stroomsterkte door een ohmse weerstand is evenredig met de spanning
• Het aantal vrije elektronen in een halfgeleider kan veranderen, waardoor de
weerstand verandert
• Een diode laat de stroom slecht in één richting door
• De weerstand van een LDR neemt af als er meer licht op valt
• De weerstand van een NTC neemt af als de temperatuur stijgt
• De weerstand van een PTC neemt toe als de temperatuur stijgt
• In een parallelschakeling is de spanning over elk apparaat hetzelfde
• In een parallelschakeling is de totale stroomsterkte gelijk aan de som van de
stroomsterktes door de apparaten
• In een serieschakeling is de stroomsterkte door elk apparaat hetzelfde