Samenvatting Hoofdstuk 5. Straling en gezondheid
• Rontgenstraling is een vorm van elektromagnetische straling.
• Elektromagnetische straling bestaat uit energie die zich als een stroom fotonen met
de lichtsnelheid voortplant
• De energie van een foton is evenredig met de frequentie van de straling.
• Door de hoge energie van de fotonen kan rontgenstraling diep in een materiaal
doordringen en atomen ioniseren.
• Rontgenfotonen kunnen in een materiaal geabsorbeerd worden. Daarbij verdwijnt
het foton, en wordt de fotonenergie gebruikt om een atoom van dat materiaal te
ioniseren.
• De stralingsintensiteit I ( in W/m2) is de hoeveelheid stralingsenergie die per seconde
door een oppervlak van 1 m2 gaat.
• De absorptie van rontgenstraling door een materiaal is nooit volledig. Het
doorgelaten percentage van de intensiteit van de invallende straling, de transmissie,
hangt af van de materiaalsoort en van de materiaaldikte.
• De halveringsdikte is de dikte van een absorberend materiaal waarbij de helft van de
rontgenstraling wordt doorgelaten. De halveringsdikte is voor elk materiaal
verschillend, en hangt bovendien af van de energie van de rontgenfotonen.
• De doorlaatkromme laat zien dat de intensiteit van de doorgelaten rontgenstraling
telkens gehalveerd is na elk 'laagje' met een dikte gelijk aan de halveringsdikte.
• De energie van rontgenfotonen geef je meestal op in de eenheid elektronvolt (eV).
De energie in elektronvolt kun je omrekenen naar energie in joule (J).
• Er zijn drie soorten kernstraling: α-straling (deeltjes die bestaan uit twee protonen en
neutronen), β-straling (elektron of positron) en γ-straling (fotonen)
• Het doordringend vermogen van kernstraling geeft aan hoe gemakkelijk de straling in
een materiaal kan doordringen.
• Het ioniserend vermogen van kernstraling geeft aan hoeveel schade de straling kan
aanrichten in een materiaal
• In een radioactieve stof zijn atoomkernen instabiel. Bij radioactief verval zendt een
instabiele atoomkern kernstraling uit.
• De activiteit A van een radioactieve bron is het aantal vervallende instabiele
atoomkernen per seconde.
• De activiteit geeft ook aan hoeveel deeltjes de bron per seconde uitzendt
• De activiteit A van een radioactieve bron hangt af van het aantal instabiele
atoomkernen in het begin en neemt geleidelijk af in de loop van de tijd.
• De halveringstijd is de tijd waarin de activiteit van een radioactieve bron telkens
tweemaal zo klein wordt. Deze halveringstijd is per radioactieve stof verschillend.
• Aan de vervalkromme kun je zien hoe de activiteit van ee nradioactieve bron in de
loop van de tijd afneemt: na elke halveringstijd is de activiteit tweemaal zo klein
geworden.
• Een atoomkern bestaat uit protonen en neutronen
• Het atoomnummer Z is het aantal protonen in de kern.
• Het massagetal A is het aantal kerndeeltjes(protonen en neutronen) in de kern.
• Isotopen zijn kernen van dezelfde atoomsoort met een verschillend aantal
neutronen. Ze hebben hetzelfde atoomnummer maar een verschillend massagetal.
• Met een vervalvergelijking kun je weergeven wat er bij radioactief verval van een
• Rontgenstraling is een vorm van elektromagnetische straling.
• Elektromagnetische straling bestaat uit energie die zich als een stroom fotonen met
de lichtsnelheid voortplant
• De energie van een foton is evenredig met de frequentie van de straling.
• Door de hoge energie van de fotonen kan rontgenstraling diep in een materiaal
doordringen en atomen ioniseren.
• Rontgenfotonen kunnen in een materiaal geabsorbeerd worden. Daarbij verdwijnt
het foton, en wordt de fotonenergie gebruikt om een atoom van dat materiaal te
ioniseren.
• De stralingsintensiteit I ( in W/m2) is de hoeveelheid stralingsenergie die per seconde
door een oppervlak van 1 m2 gaat.
• De absorptie van rontgenstraling door een materiaal is nooit volledig. Het
doorgelaten percentage van de intensiteit van de invallende straling, de transmissie,
hangt af van de materiaalsoort en van de materiaaldikte.
• De halveringsdikte is de dikte van een absorberend materiaal waarbij de helft van de
rontgenstraling wordt doorgelaten. De halveringsdikte is voor elk materiaal
verschillend, en hangt bovendien af van de energie van de rontgenfotonen.
• De doorlaatkromme laat zien dat de intensiteit van de doorgelaten rontgenstraling
telkens gehalveerd is na elk 'laagje' met een dikte gelijk aan de halveringsdikte.
• De energie van rontgenfotonen geef je meestal op in de eenheid elektronvolt (eV).
De energie in elektronvolt kun je omrekenen naar energie in joule (J).
• Er zijn drie soorten kernstraling: α-straling (deeltjes die bestaan uit twee protonen en
neutronen), β-straling (elektron of positron) en γ-straling (fotonen)
• Het doordringend vermogen van kernstraling geeft aan hoe gemakkelijk de straling in
een materiaal kan doordringen.
• Het ioniserend vermogen van kernstraling geeft aan hoeveel schade de straling kan
aanrichten in een materiaal
• In een radioactieve stof zijn atoomkernen instabiel. Bij radioactief verval zendt een
instabiele atoomkern kernstraling uit.
• De activiteit A van een radioactieve bron is het aantal vervallende instabiele
atoomkernen per seconde.
• De activiteit geeft ook aan hoeveel deeltjes de bron per seconde uitzendt
• De activiteit A van een radioactieve bron hangt af van het aantal instabiele
atoomkernen in het begin en neemt geleidelijk af in de loop van de tijd.
• De halveringstijd is de tijd waarin de activiteit van een radioactieve bron telkens
tweemaal zo klein wordt. Deze halveringstijd is per radioactieve stof verschillend.
• Aan de vervalkromme kun je zien hoe de activiteit van ee nradioactieve bron in de
loop van de tijd afneemt: na elke halveringstijd is de activiteit tweemaal zo klein
geworden.
• Een atoomkern bestaat uit protonen en neutronen
• Het atoomnummer Z is het aantal protonen in de kern.
• Het massagetal A is het aantal kerndeeltjes(protonen en neutronen) in de kern.
• Isotopen zijn kernen van dezelfde atoomsoort met een verschillend aantal
neutronen. Ze hebben hetzelfde atoomnummer maar een verschillend massagetal.
• Met een vervalvergelijking kun je weergeven wat er bij radioactief verval van een