Hoofdstuk 1: Wat is sociologie?
1.1 Het sociologisch perspectief
Sociologie het systematisch onderzoek van de menselijke samenleving.
Sociologische verbeeldingskracht het transformeren van persoonlijke problemen tot
maatschappelijke vraagstukken.
1.1.1 Het algemene in het bijzondere zien
Het algemene in het bijzondere = in het gedrag van bepaalde mensen algemene patronen
ontdekken.
VB: iemand pleegt zelfmoord, dit is een individueel geval. Maar uit sociologisch
onderzoek blijkt dat mannen vaker zelfmoord plegen dan vrouwen. Zo trek je dus een
bijzonder/specifiek geval naar een breder kader, het algemene.
1.1.2 Het ongewone in het bekende zien
Het ongewone in het bekende = het zien van de invloed van sociale structuren op individuen.
1. Ter discussie stellen van wat wij als normaal beschouwen
Bijvoorbeeld: studiekeuze
1.1.3 Persoonlijke keuzes in sociale context [zelfmoordvoorbeeld]
Durkheim toonde aan dat zelfs de meest persoonlijke en eenzame handeling, zelfmoord,
onderhevig is aan sociale factoren. Mensen met sterke banden plegen minder snel
zelfmoord. Het bleek dat mannen, protestanten, welvarende mensen en ongehuwden meer
zelfmoord pleegde. Mannen hebben meer vrijheden dan vrouwen en dit betekent ook meer
sociaal isolement dan vrouwen. Dat leidt weer tot een hoger zelfdodingscijfer.
1.4.1 Sociale veranderingen en sociologie
Ingrijpende sociale veranderingen in Europa in de 18e en 19e eeuw zorgden voor meer
denken over de samenleving. Dit heeft de ontwikkeling van sociologie versneld.
Drie veranderingen die een transformatie van de samenleving teweegbrachten:
1. Industrialisering: handwerk werd vervangen door grote machines met nieuwe
energiebronnen. Mensen kwamen terecht in fabrieken met vreemde mensen en
grote groepen. Werk en privé werden gescheiden.
2. Urbanisatie: mensen trokken naar steden toe om werk te zoeken. Mensen
belandden in nieuwe onpersoonlijke omgevingen.
3. Democratisering: de aandacht verschoof van morele verplichtingen tegenover God
naar het nastreven van eigenbelang. Onafhankelijkheidsverklaring is hier een
voorbeeld van. (bepaalde onvervreemdbare rechten).
Door nieuwe politieke ideeën, industrialisering en groei van steden ging de aandacht steeds
meer naar de maatschappij. Rede nam het over van bijgeloof.
,1.4.1 Historische context
Renaissance (15e-16e eeuw)
- Ontdekking nieuwe werelddelen, zon is kern van het heelal
Reformatie (16e eeuw)
- Calvinisme, protestantisme, meer oog voor de mogelijkheden van het individu
Verlichting (17e – 18e eeuw)
- Vertrouwen in de wetenschap, vooruitgang en maakbare samenleving
1.4.2 Wetenschap en sociologie
Sociologie is één van de jongste academische disciplines. Vroegere denkers waren vooral
geïnteresseerd in de ideale samenleving, veel filosofischer dus. Het bestuderen van de
werkelijkheid, hoe de samenleving nu is, kwam pas later in beeld door Comte.
Comte sprak van drie voorafgaande ontwikkelingsfasen aan de sociologie:
1. Theologische fase (tot 1350) : tot het einde van de middeleeuwen bracht de
samenleving Gods wil tot uitdrukking.
2. Metafysische fase (14e-15e eeuw): door de Renaissance werd de samenleving als een
natuurlijk en niet als een bovennatuurlijk verschijnsel beschouwd.
3. Wetenschappelijke fase (vanaf eind 15e eeuw): deze fase ontstond door werk van
Copernicus, Galilei en Newton. Wetenschappelijke benadering werd dankzij Comte
nu ook gebruikt voor bestuderen van de samenleving. Zijn benadering noemen we
het positivisme; inzicht verwerven op basis van wetenschappelijk onderzoek.
1.5.1 Moderniteit
= Sociale patronen die het resultaat zijn van industrialisering. Centraal begrip in onderzoek
naar sociale veranderingen.
Berger kwam met vier belangrijke kenmerken van modernisering:
1. Verdwijnen van kleine traditionele gemeenschappen. Weinig keuzemogelijkheden,
veel identiteitsbesef, saamhorigheid in kleine hechte gemeenschappen verdwijnt.
2. Uitbreiding persoonlijke keuzemogelijkheden. Leven in pre-industriële
samenlevingen wordt bepaald door krachten van buitenaf, zoals Goden. Dit verdwijnt
en er ontstaat individualisering; leven is oneindige reeks van keuzes. We moeten de
touwtjes zelf in handen nemen.
3. Grotere sociale diversiteit. Conformeren verdwijnt en er komt een meer
wetenschappelijk wereldbeeld waarbij meer keuzemogelijkheden horen. Diverse
opvattingen en gedragspatronen ontwikkelen zich door verstedelijking,
bureaucratisering en toenemende onderlinge contacten.
4. Oriëntatie op de toekomst en een groeiend tijdsbewustzijn. Mens focust niet meer
op het verleden maar op de toekomst. Klok wordt geïntroduceerd en mensen zijn
optimistisch: ontdekkingen zullen wereld beter maken. Tijd = geld.
,1.5.2 Tönnies
Volgens Tönnies bracht de modernisering met zich mee dat de Gemeinschaft (= kleine
menselijke gemeenschap) steeds meer van het wereldtoneel verdween. Industriële revolutie
zorgt voor meer zakelijke benadering en minder oog voor sociale zaken als familie en
traditie. In westerste samenlevingen opkomst Gesellschaft (= meeste sociale betrekkingen
tussen mensen zijn op eigenbelang gebaseerd). Volgens Tönnies houdt de traditionele
gemeenschapszin in dat mensen een eenheid vormen. Moderniteit verpest dit. In de
Gesellschaft zijn mensen vreemden van elkaar. Sociale cohesie is minder in samenleving
ondanks hogere welvaart.
Kanttekening: Tönnies had een voorkeur voor traditionele gemeenschappen en
romantiseerde dit beeld; hij zag daardoor mogelijk over het hoofd dat er ook in de moderne
samenlevingen hechte familie- en vriendschapsbanden bestaan Gemeinschaft.
1.5.3 Durkheim
Durkheim was net als Tönnies geïnteresseerd in de veranderingen door de industriële
revolutie. Modernisering werd gekenmerkt door toenemende arbeidsverdeling:
gespecialiseerde economische activiteit.
Pre-industriële samenlevingen blijven bijeen door mechanische solidariteit (= gedeelde
morele waarden, mensen zien elkaar als gelijken en horen bij elkaar) = Gemeinschaft.
Industriële samenlevingen geen mechanische solidariteit meer, maar juist organische
solidariteit (= wederzijdse afhankelijkheid van mensen). Dit zorgt voor meer sociale cohesie
in een moderne samenleving. Kortom, moderne samenleving wordt bijeengehouden door
verschillen (afhankelijkheid) en niet door overeenkomsten = Gesellschaft.
Durkheims beeld is optimistischer dan die van Tönnies.
Kanttekening: Durkheim was wel optimistisch, maar was bang voor anomie (= normloosheid,
situatie waarin een samenleving een individu weinig morele richtlijnen te bieden heeft).
Mensen worden dan egocentrisch.
1.5.4 Weber
Moderniteit hield in dat een traditioneel wereldbeeld vervangen wordt door een rationelere
denkwijze. Tradities hebben een remmend beeld op sociale veranderingen. Voor traditionele
mensen staat de ‘waarheid’ gelijk aan ‘hoe dingen altijd zijn geweest’. Voor de moderne
mens is de ‘waarheid’ het resultaat van rationele processen. De moderne samenleving is
‘onttoverd’ de industrialisering heeft tradities uitgehold en het rationele denken heeft
mensen aan het twijfelen gebracht over vaststaande waarheden.
Kanttekening: Weber was vrij kritisch tegenover de moderne samenleving. Hij vreesde de dat
de wetenschap de afstand tot enkele levensvragen (zin en doel van het bestaan) zou
vergroten. Ook bang dat rationalisering de mens met eindeloze regels en reglementen zou
verstikken. Hij had weinig oog voor het menselijk potentieel.
, 1.5.5 Marx
De moderne samenleving staat gelijk aan kapitalisme. De Industriële revolutie is een
kapitalistische revolutie. Marx was het eens met de stelling dat de moderniteit de rol van
kleine gemeenschappen verminderde (Tönnies) en ook met de stellingen dat de moderniteit
de arbeidsverdeling (Durkheim) en een rationeel wereldbeeld (Weber) in de hand werkte.
Maar hij beschouwde deze aspecten als condities die het mogelijk maakten dat het
kapitalisme volledig tot ontwikkeling zou komen. Efficiënte fabrieken hebben specialisten
nodig, rationaliteit komt terug in winststreven van kapitalisten. Marx geloofde, in
tegenstelling tot Weber, dat sociale conflicten konden leiden tot revolutionaire
veranderingen en maatschappelijke gelijkheid (socialisme). Marx geloofde in potentie van
mensen om werkelijkheid te veranderen.
Kanttekening: Marx onderschatte de invloed van bureaucratie op moderne samenlevingen.
De verstikkende effecten van de bureaucratie waren even erg of nog erger dan de
dehumaniserende aspecten van het kapitalisme.
1.5.6 Drie hoofdvragen van de sociologie
Interesses van sociologen vinden hun oorsprong in drie hoofdvragen van de sociologie:
1. Hoe is sociale (on)gelijkheid mogelijk? (Marx)
2. Hoe is sociale (wan)orde mogelijk? (Durkheim)
3. Hoe werkt het proces van rationalisering (modernisering) van de wereld? (Weber)
4. (Hoe beïnvloeden maatschappelijke verhoudingen de identiteit van individuen en
groepen?)
- Identiteit en interactie, Simmel
Hoofdstuk 2: Sociologische theorieën en methoden
Macro
- Focus op samenleving als geheel
- Totaalbeeld van sociale structuren in de samenleving
Meso
- Focus ´middelgrote´ analyse-eenheden
- Groepen
Micro
- Focus op individuen
- Interacties
2.1 Sociologische theorie en sociologisch perspectief
Perspectief = fundamenteel beeld van de samenleving dat als richtsnoer dient voor theorie
en onderzoek daarbinnen: allemaal theorieën
Theorie = stelsel van uitspraken die met elkaar samenhangen.
- Verklaart de sociale werkelijkheid
- Toetsbaar d.m.v. onderzoek