Maatschappijwetenschappen
H10+11
Hoe worden op alle niveaus schaarse en hooggewaardeerde zaken verdeeld, wie of wat heeft daar de
macht over en op grond waarvan? Wat zijn de gevolgen van deze verdeling tussen de mensen voor de
verhoudingen op verschillende niveaus?
10.1
Verhoudingsvraagstuk: vraagstuk over de manier waarop mensen zich van elkaar onderscheiden en
tot elkaar verhouden en de manier waarop samenlevingen in sociale zin vormgeven aan deze
verschillen.
De industriële revolutie had grote gevolgen voor de gelijkheid in de samenleving. De Amerikaanse en
Franse revolutie hadden voor politieke gelijkheid gezorgd (democratisering), maar de IR zorgde juist
voor meer sociale ongelijkheid: een situatie waarin verschillen tussen mensen in al dan niet
aangeboren kenmerken, consequenties hebben voor hun maatschappelijke positie en leiden tot een
ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken, van waardering en behandeling.
Nu in de 21e eeuw werken kinderen niet meer in fabrieken; er is veel veranderd.
10.2
In definitie van sociale ongelijkheid verschillende elementen
1. Verschillen tussen mensen kunnen aangeboren en niet-aangeboren zijn: niet-aangeboren
verschillen ontstaan tijdens proces van socialisatie.
2. Verschillen hebben consequenties voor iemands maatschappelijke positie: er wordt
betekenis gegeven aan deze verschillen. De verschillen in sociale ongelijkheid komen naar
voren op gebied van ongelijke verdeling van:
- Macht
- Bezit
- Status
3. Deze verschillen leiden tot
a. Ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken
b. Ongelijke waardering
c. Ongelijke behandeling
Maatschappelijke ladder: indeling waarbij mensen met meer bezit, status of macht hoger staan dan
anderen. Bijvoorbeeld op basis van status van een beroep: beroepsprestigeladder.
Sociale stratificatie: de verdeling van de maatschappij in groepen waartussen sociale ongelijkheid
bestaat. De groepen zijn verschillende sociale lagen, deels erfelijk, maar hoeft niet.
- Positietoewijzing: verwijst naar maatschappelijke oorzaken, gebeurt buiten betrokken
mensen om. Heb je geen invloed op.
- Positieverwerving: kun je wel wat aan doen; mensen verkrijgen een maatschappelijke
positie door hun eigen bijdrage of bijdrage van groep waar ze bij horen.
Sociale mobiliteit: de plek op maatschappelijke ladder kan veranderen. In gesloten samenleving kan
dit niet, in open samenleving hebben mensen meer kansen om sociaal mobiel te zijn.
10.3
Sociale ongelijkheid vanuit de paradigma’s:
- Functionalisme paradigma: sociale ongelijkheid is nuttig en niet erg. Herbert Gans zag
functies van armoede en armen:
o In vrijemarkteconomie mensen nodig die laagbetaalde arbeid willen verrichten.
Voor mensen zelf niet functioneel, maar voor kapitalistische systeem wel.
o Arme mensen zorgen voor werkgelegenheid voor mensen die hen helpen
o Arme mensen zorgen voor vraag naar goedkope producten en woningen
o Arme mensen zijn waarschuwing voor rijke mensen; pas op, als je fout maakt
gebeurt dit
, Functionalisten bekijken samenleving op technische doelmatige manier.
- Conflict-paradigma: ongelijkheid is kern van samenleving.
o Karl Marx: de ongelijkheid zou in de bezitsverhouding leiden tot een
onontkoombaar conflict waarbij het economische systeem omvergeworpen zou
worden.
- Sociaalconstructivisme-paradigma (interactionisme): ongelijkheid is een construct,
gebaseerd op interacties tussen mensen. Gedachten en handelen van mensen over
samenleving worden onderzocht.
o Edwin Ray Guthrie: sommige meisjes zijn spontaan, andere verlegen ene
meisje wordt anders behandeld en gewaardeerd dan andere. (Ongelijkheid)
- Rationele-actor-paradigma: ongelijkheid is gevolg van keuzes die actoren maken om
eigen nut te maximaliseren. Ongelijkheid is dus niet fout of onwenselijk maar een gevolg
van keuzes.
o Adam Smith: het is voor welvaart van land beste als ieder eigenbelang najaagt.
Iedereen moet mogelijkheid krijgen egoïstisch te zijn, maar mensen hebben
bepaalde empathie. Het draait niet allemaal om egoïsme.
10.4
Communisme: maximale gelijkheid in een samenleving, daarom passen onderdrukking en
overheersing niet in hun mensbeeld. Karl Marx: arbeiders verenigen zich en krijgen macht door
middel van revolutie. Moet wel met een overgangsdictatuur, zo kan gelijkheid worden afgedwongen.
Socialisme: wijzen revolutie af. Gelijkheid bereiken door maatschappelijk debat: pleiten voor gelijke
rechten voor verschillende groepen via sociale wetgeving. Overheid heeft dus belangrijke taak.
Onderwijs is belangrijk mensen uit lagere lagen kunnen zo opklimmen.
Sociaaldemocratie: ideologie die gelijkheid belangrijk vindt, maar ook voor vrijheid opkomt. Willen
ook via debat i.p.v. revolutie, maar zijn voor vrije bijgestelde markt: gemengde economie.
Ondernemers hebben vrijheid, maar niet te veel. Overheid dus kleiner dan bij socialisten.
10.5
Er moest een oplossing komen voor grote sociale ongelijkheid alle groepen wilden verandering
compromis tussen verschillende stromingen en mensen van verschillende plaatsen op de
maatschappelijke ladder. De verzorgingsstaat ontstond: een systeem waarbij de overheid zorgt voor
het welzijn van de inwoners.
- Institutionalisering: het proces waarbij een complex van waarden en min of meer
geformaliseerde regels vastgelegd wordt in standaard gedragspatronen, die het gedrag
van mensen en hun onderlinge relaties reguleren. Voorbeeld is maken van wetten.
o Er kwamen sociale wetten op: kinderwetje van Van Houten, ongevallenwet en
invaliditeitswet. NL werd open samenleving.(formele institutie)
o Er zijn ook informele instituties, die maken deel uit van cultuur en zijn niet
vastgelegd: regels en gewoonten over huwelijk en bruiloft.
- Democratisering: het proces van verandering van de machts- en gezagsverhoudingen
door een grotere inspraak en medezeggenschap van degenen met minder macht.
o Werknemers kregen steeds meer te zeggen: aan eind van 19 e eeuw waren er
vakbonden opgericht die hadden gepleit voor meer zeggenschap.
o Er kwamen instellingen: vakbonden, politieke partijen
Voordeel institutionalisering: gedrag van mensen wordt voorspelbaar. Mensen weten hoe ze zich
moeten gedragen, wat er verwacht wordt. Ook gaan mensen hierover nadenken, mensen worden
bewust van waarden die ze belangrijk vinden.
Nadeel institutionalisering: mensen hebben minder vrijheid. Toch houden ze meer vrijheid (ruimte en
tijd) over als ze veel handelingen van zichzelf of anderen niet steeds opnieuw hoeven uit te vinden.
H10+11
Hoe worden op alle niveaus schaarse en hooggewaardeerde zaken verdeeld, wie of wat heeft daar de
macht over en op grond waarvan? Wat zijn de gevolgen van deze verdeling tussen de mensen voor de
verhoudingen op verschillende niveaus?
10.1
Verhoudingsvraagstuk: vraagstuk over de manier waarop mensen zich van elkaar onderscheiden en
tot elkaar verhouden en de manier waarop samenlevingen in sociale zin vormgeven aan deze
verschillen.
De industriële revolutie had grote gevolgen voor de gelijkheid in de samenleving. De Amerikaanse en
Franse revolutie hadden voor politieke gelijkheid gezorgd (democratisering), maar de IR zorgde juist
voor meer sociale ongelijkheid: een situatie waarin verschillen tussen mensen in al dan niet
aangeboren kenmerken, consequenties hebben voor hun maatschappelijke positie en leiden tot een
ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken, van waardering en behandeling.
Nu in de 21e eeuw werken kinderen niet meer in fabrieken; er is veel veranderd.
10.2
In definitie van sociale ongelijkheid verschillende elementen
1. Verschillen tussen mensen kunnen aangeboren en niet-aangeboren zijn: niet-aangeboren
verschillen ontstaan tijdens proces van socialisatie.
2. Verschillen hebben consequenties voor iemands maatschappelijke positie: er wordt
betekenis gegeven aan deze verschillen. De verschillen in sociale ongelijkheid komen naar
voren op gebied van ongelijke verdeling van:
- Macht
- Bezit
- Status
3. Deze verschillen leiden tot
a. Ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken
b. Ongelijke waardering
c. Ongelijke behandeling
Maatschappelijke ladder: indeling waarbij mensen met meer bezit, status of macht hoger staan dan
anderen. Bijvoorbeeld op basis van status van een beroep: beroepsprestigeladder.
Sociale stratificatie: de verdeling van de maatschappij in groepen waartussen sociale ongelijkheid
bestaat. De groepen zijn verschillende sociale lagen, deels erfelijk, maar hoeft niet.
- Positietoewijzing: verwijst naar maatschappelijke oorzaken, gebeurt buiten betrokken
mensen om. Heb je geen invloed op.
- Positieverwerving: kun je wel wat aan doen; mensen verkrijgen een maatschappelijke
positie door hun eigen bijdrage of bijdrage van groep waar ze bij horen.
Sociale mobiliteit: de plek op maatschappelijke ladder kan veranderen. In gesloten samenleving kan
dit niet, in open samenleving hebben mensen meer kansen om sociaal mobiel te zijn.
10.3
Sociale ongelijkheid vanuit de paradigma’s:
- Functionalisme paradigma: sociale ongelijkheid is nuttig en niet erg. Herbert Gans zag
functies van armoede en armen:
o In vrijemarkteconomie mensen nodig die laagbetaalde arbeid willen verrichten.
Voor mensen zelf niet functioneel, maar voor kapitalistische systeem wel.
o Arme mensen zorgen voor werkgelegenheid voor mensen die hen helpen
o Arme mensen zorgen voor vraag naar goedkope producten en woningen
o Arme mensen zijn waarschuwing voor rijke mensen; pas op, als je fout maakt
gebeurt dit
, Functionalisten bekijken samenleving op technische doelmatige manier.
- Conflict-paradigma: ongelijkheid is kern van samenleving.
o Karl Marx: de ongelijkheid zou in de bezitsverhouding leiden tot een
onontkoombaar conflict waarbij het economische systeem omvergeworpen zou
worden.
- Sociaalconstructivisme-paradigma (interactionisme): ongelijkheid is een construct,
gebaseerd op interacties tussen mensen. Gedachten en handelen van mensen over
samenleving worden onderzocht.
o Edwin Ray Guthrie: sommige meisjes zijn spontaan, andere verlegen ene
meisje wordt anders behandeld en gewaardeerd dan andere. (Ongelijkheid)
- Rationele-actor-paradigma: ongelijkheid is gevolg van keuzes die actoren maken om
eigen nut te maximaliseren. Ongelijkheid is dus niet fout of onwenselijk maar een gevolg
van keuzes.
o Adam Smith: het is voor welvaart van land beste als ieder eigenbelang najaagt.
Iedereen moet mogelijkheid krijgen egoïstisch te zijn, maar mensen hebben
bepaalde empathie. Het draait niet allemaal om egoïsme.
10.4
Communisme: maximale gelijkheid in een samenleving, daarom passen onderdrukking en
overheersing niet in hun mensbeeld. Karl Marx: arbeiders verenigen zich en krijgen macht door
middel van revolutie. Moet wel met een overgangsdictatuur, zo kan gelijkheid worden afgedwongen.
Socialisme: wijzen revolutie af. Gelijkheid bereiken door maatschappelijk debat: pleiten voor gelijke
rechten voor verschillende groepen via sociale wetgeving. Overheid heeft dus belangrijke taak.
Onderwijs is belangrijk mensen uit lagere lagen kunnen zo opklimmen.
Sociaaldemocratie: ideologie die gelijkheid belangrijk vindt, maar ook voor vrijheid opkomt. Willen
ook via debat i.p.v. revolutie, maar zijn voor vrije bijgestelde markt: gemengde economie.
Ondernemers hebben vrijheid, maar niet te veel. Overheid dus kleiner dan bij socialisten.
10.5
Er moest een oplossing komen voor grote sociale ongelijkheid alle groepen wilden verandering
compromis tussen verschillende stromingen en mensen van verschillende plaatsen op de
maatschappelijke ladder. De verzorgingsstaat ontstond: een systeem waarbij de overheid zorgt voor
het welzijn van de inwoners.
- Institutionalisering: het proces waarbij een complex van waarden en min of meer
geformaliseerde regels vastgelegd wordt in standaard gedragspatronen, die het gedrag
van mensen en hun onderlinge relaties reguleren. Voorbeeld is maken van wetten.
o Er kwamen sociale wetten op: kinderwetje van Van Houten, ongevallenwet en
invaliditeitswet. NL werd open samenleving.(formele institutie)
o Er zijn ook informele instituties, die maken deel uit van cultuur en zijn niet
vastgelegd: regels en gewoonten over huwelijk en bruiloft.
- Democratisering: het proces van verandering van de machts- en gezagsverhoudingen
door een grotere inspraak en medezeggenschap van degenen met minder macht.
o Werknemers kregen steeds meer te zeggen: aan eind van 19 e eeuw waren er
vakbonden opgericht die hadden gepleit voor meer zeggenschap.
o Er kwamen instellingen: vakbonden, politieke partijen
Voordeel institutionalisering: gedrag van mensen wordt voorspelbaar. Mensen weten hoe ze zich
moeten gedragen, wat er verwacht wordt. Ook gaan mensen hierover nadenken, mensen worden
bewust van waarden die ze belangrijk vinden.
Nadeel institutionalisering: mensen hebben minder vrijheid. Toch houden ze meer vrijheid (ruimte en
tijd) over als ze veel handelingen van zichzelf of anderen niet steeds opnieuw hoeven uit te vinden.