Persoonlijkheid = De psychologische kenmerken die een zekere
continuïteit verlenen aan het gedrag van een individu in verschillende
situaties en op verschillende momenten.
Persoonlijkheid is uniek, maar er kunnen gemeenschappelijke patronen
zijn. Persoonlijkheid maakt dat we voorspelbaar zijn en maakt wie je bent/
verschilt van andere.
Kenmerken persoonlijkheid = Stabiliteit – Gedrag wordt regelmatig
vertoont
Consistentie - Gedrag wordt in verschillende
situaties vertoont
Standaardgedrag – Altijd gelijksoortig gedrag
vertonen
Persoonlijkheid bestaat uit: Nature, Nurture en Cultuur
Nature = Hoe je wordt geboren. Nurture = Invloeden van omgeving.
Persoonlijkheidstheorieën = Theorieën die beschrijven wat de
karaktertrekken/ kenmerken zijn:
-Beschrijvende persoonlijkheidstheorie = Kijken naar wat vastligt
(nature, karakter). Leggen de nadruk op persoonlijkheidskenmerken/
karaktertrekken.
- Impliciete persoonlijkheidstheorieën = Aanname over
persoonlijkheid vanuit wat we weten om te kunnen beoordelen en
begrijpen. (Stereotype)
- Cross culturele theorieën = Individualisme = Het standpunt dat
individuele prestaties en jezelf onderscheiden erg belangrijk zijn. Deze
visie wordt vooral in de westerse wereld aangehangen. Collectivisme =
1
,Het standpunt dat groepsloyaliteit en het aanzien van de groep
belangrijker zijn dan de individuele prestaties. Deze visie is gangbaar in
Azië, Afrika, Zuid-Amerika en het Midden-Oosten. (Tegenovergestelde)
- Persoon-situatiecontroverse = Een theoretische discussie over de
relatieve invloed van persoonlijkheidskenmerken en kenmerken van de
omgeving op gedrag.
Week 1.2 – Trait benadering Persoonlijkheid.
Geschiedenis: (Karaktertrekken die bij elkaar horen zijn een cluster,
oftewel factor. Zo’n factor is ook wel een continuüm of dimensie).
Gordon W. Allport = grondlegger woorden m.b.t. karakter.
Raymond Cattel komt tot 16 basistrekken vanuit deze woorden en maakte
hierbij een vragenlijst voor onderzoek van karakter.
Hans J. Eysenck kwam vanuit daar tot 3 dimensies (PEN-Model):
1.Extraversie – Introversie
2.Neuroticisme: Emotioneel stabiel – Onstabiel
3.Psychotisch
Lexicale hypothese = Alle belangrijke persoonlijkheidstrekken hebben
een weerslag op taal die je gebruikt.
Karaktertrek = Stabiel persoonlijkheidskenmerk waarvan men aanneemt
dat het zich in het individu bevindt en dat in verschillende
omstandigheden een leidraad vormt voor zijn of haar gedachten en
handelingen.
Dispositie = Een psychische en fysieke kwaliteit of eigenschap van een
persoon.
Dispositionele theorieën = Een verzamelnaam voor benaderingen van
de persoonlijkheid op basis van temperament, karaktertrekken en
persoonlijkheidstypen.
Vijf-factorentheorie = Een perspectief op karaktertrekken dat aangeeft
dat persoonlijkheid is samengesteld uit 5 fundamentele
persoonlijkheidsdimensies (ook bekend als de ‘grote vijf’ of ‘Big Five’):
1. Openheid (voor ervaringen)
2. Cosciëntieusheid (Ordelijkheid, betrouwbaar)
3. Extraversie – Introversie
4. Agreeableness (Altruïsme: vriendelijkheid)
5. Neurotisisme (emotionele instabiliteit)
Uitgangspunten Big-Five-Model:
1. Structuur persoonlijkheid beschreven van 5 (bovenstaande) factoren.
Deze bestaan allemaal uit 6 specifieke trekken (onderliggende facetten).
(Zie 2.2)
2
,2. Scores op deze factoren zijn stabiel in de tijd en zijn gerelateerd aan
interne mechanismen van de hersenen. (Als je ouder wordt, staat je
persoonlijkheid redelijk vast)
3. Reflecteren erfelijkheid en genetische basis.
4. De 5 factoren hebben een relatie m.b.t. gedrag van persoon.
(Voorspelbaarheid)>
Worden gemeten door vragenlijsten, zoals:
MMPI-2 = Veelgebruikt instrument voor het in kaart brengen van de
persoonlijkheid. Geeft aan hoe hoog een individu scoort op belangrijke
klinische trekken. De volledige naam luidt: Minnesota Multiphasic
Personality Inventory.
NPV (Nederlandse Persoonlijkheidsvragenlijst) = Likertschaal vragen
– 3 mogelijkheden
NEO-PI = Gekoppeld aan de Big-Five. Likertschaal vragen – 5
mogelijkheden
Big Six/ HEXACO-Persoonlijkheidsvragenlijst =
1. Extraversie
2. Verdraagzaamheid (aanpassingsbereid, vergevingsgezind, etc.)
3. Emotionaliteit
4. Cosciëntieusheid (ordelijk, betrouwbaar)
5. Openheid voor ervaringen
6. Integriteit (oprecht, rechtvaardig)
Betrouwbaarheid = Kenmerk van een psychologische test die de mate
aangeeft waarin de meetresultaten een afspiegeling zijn van de te meten
variabele en vrij zijn van de invloed van toevallige factoren.
Validiteit = Mate waarin een psychologische test meet wat hij geacht
wordt te meten.
Fundamentele atttributtiefout (fundamental attribution error:
FAE) = De neiging om bij het interpreteren van gedrag van anderen
enerzijds een overmatige nadruk te leggen op persoonlijke
karaktertrekken (de hang naar dispositionele), terwijl anderzijds de
situationele invloeden worden geminimaliseerd.
3
, HEXACO:
4