Biologie samenvatting
Havo – klas 5
Hoofstuk 14 reageren
Spieren die in tweetalen werken en een tegengestelde beweging veroorzaken, noem je
antagonisten.
Een spier bestaat uit een spierbundel.
- In deze spierbundel liggen lange spiervezels, dit zijn met elkaar vergroeide spiercellen.
- Spiervezels bestaan in de lengte richting uit honderden spierfibrillen
o Deze zijn weer opgebouwd uit actine en myosine. Deze zorgen ervoor de de spier
samentrekken.
- Zie bron 1 – blz 176 of BiNaS tabel 90c.
Dwarsgestreept spierweefsel= een streepjes patroon, een rangschikking van actine en myosine.
- Zijn skeletspieren en staan onder invloed van het wil
Glad spierweefsel= spierfibrinen die dwars door elkaar liggen.
- De spieren van de bloedvaten en zit ook in de huid en rond de hole organen.
- Staan niet onder invloed van de wil, het zijn onwillekeurige spieren.
Hartspierweefsel= een weefsel van beide soorten, het heeft dwarsgestreept spierweefsel, maar
hebben kleine dwarsverbindingen, hierdoor heeft het hartspierweefsel de structuur van een net.
- Is dus het hele hart
- Staan niet onder het wil, het zijn onwillekeurige spieren.
Zie bron 2 – blz 177 en BiNaS tabel 80e
Elke skeletspier bezit twee typen spierweefsels: langzame en snelle spierweefsel.
- De langzamen trekken relatief traag samen, maar houden het langer vol.
- De snelle trekken ongeveer 3 keer sneller samen als de langzame, maar ze raken wel sneller
vermoeid.
De langzame spiervezels houden het langer vol door dat ze beschikken over extra myoglobine.
- Dit is een spiereiwit dat zuurstof kan binden en bewaren.
- Deze zuurstof kunnen ze afgeven als er een tekort is aan zuurstof
o Spiervezels met veel myoglobine (langzame spiervezels) zijn rood, langzame
spiervezels zijn wit
- BiNaS tabel 90b.
Werken alle organen goed en is de coördinatie goed, dan levert dat emergente eigenschappen op.
- De eigenschappen die iemand heeft als hij ergens goed in is.
- Alle delen van het lichaam moeten dan goed met elkaar samenwerken in in goede vorm zijn.
Een organisme kan meer, dan dat de aparte organen los van elkaar kunnen.
- Het organisme laat ze samenvormen tot een geheel.
o Zie bron 4 – blz 178.
Pupilreflex= de regeling van de hoeveelheid licht die door de pupil de ogen binnenkomt
- Zie bron 6 – blz 180
Havo – klas 5
Hoofstuk 14 reageren
Spieren die in tweetalen werken en een tegengestelde beweging veroorzaken, noem je
antagonisten.
Een spier bestaat uit een spierbundel.
- In deze spierbundel liggen lange spiervezels, dit zijn met elkaar vergroeide spiercellen.
- Spiervezels bestaan in de lengte richting uit honderden spierfibrillen
o Deze zijn weer opgebouwd uit actine en myosine. Deze zorgen ervoor de de spier
samentrekken.
- Zie bron 1 – blz 176 of BiNaS tabel 90c.
Dwarsgestreept spierweefsel= een streepjes patroon, een rangschikking van actine en myosine.
- Zijn skeletspieren en staan onder invloed van het wil
Glad spierweefsel= spierfibrinen die dwars door elkaar liggen.
- De spieren van de bloedvaten en zit ook in de huid en rond de hole organen.
- Staan niet onder invloed van de wil, het zijn onwillekeurige spieren.
Hartspierweefsel= een weefsel van beide soorten, het heeft dwarsgestreept spierweefsel, maar
hebben kleine dwarsverbindingen, hierdoor heeft het hartspierweefsel de structuur van een net.
- Is dus het hele hart
- Staan niet onder het wil, het zijn onwillekeurige spieren.
Zie bron 2 – blz 177 en BiNaS tabel 80e
Elke skeletspier bezit twee typen spierweefsels: langzame en snelle spierweefsel.
- De langzamen trekken relatief traag samen, maar houden het langer vol.
- De snelle trekken ongeveer 3 keer sneller samen als de langzame, maar ze raken wel sneller
vermoeid.
De langzame spiervezels houden het langer vol door dat ze beschikken over extra myoglobine.
- Dit is een spiereiwit dat zuurstof kan binden en bewaren.
- Deze zuurstof kunnen ze afgeven als er een tekort is aan zuurstof
o Spiervezels met veel myoglobine (langzame spiervezels) zijn rood, langzame
spiervezels zijn wit
- BiNaS tabel 90b.
Werken alle organen goed en is de coördinatie goed, dan levert dat emergente eigenschappen op.
- De eigenschappen die iemand heeft als hij ergens goed in is.
- Alle delen van het lichaam moeten dan goed met elkaar samenwerken in in goede vorm zijn.
Een organisme kan meer, dan dat de aparte organen los van elkaar kunnen.
- Het organisme laat ze samenvormen tot een geheel.
o Zie bron 4 – blz 178.
Pupilreflex= de regeling van de hoeveelheid licht die door de pupil de ogen binnenkomt
- Zie bron 6 – blz 180