H4 Verbintenissenrecht – de onrechtmatige en rechtmatige
daad
Schadevergoeding is de vergoeding die je krijgt als er schade is geleden door het aandoen van een
ander persoon. Schadevergoeding kan je vorderen op basis van onrechtmatige en rechtmatige daad
en het schenden van een overeenkomst (wanprestatie).
Vier vereisten voor schadevergoeding (art. 6:162 BW):
1. Onrechtmatig
2. Toerekening
3. Schade
4. Causaal verband
Onrechtmatige daad (art. 6:162 lid 2 BW):
® Een inbreuk op een recht
® Handelen in strijd met een wettelijke plicht
® Handelen in strijd met het ongeschreven recht (schending van zorgvuldigheidsnorm)
Een inbreuk op een recht houdt een inbreuk in op een subjectief recht.
Strijd met een wettelijke plicht Een handeling in strijd met een plicht dat door de wet is opgelegd,
is een onrechtmatige daad.
Strijd met ongeschreven recht
Iemand kan een onrechtmatige daad begaan zonder dat hij een geschreven regel heeft geschonden.
Het gaat om de zorgvuldigheidsnormen. In het maatschappelijk verkeer moet je je vaak op een
bepaalde manier gedragen. Als je dat niet doet worden er verwachtingen geschonden. Schending
daarvan houdt in: het plegen van een onrechtmatige daad.
Heel vroeger werden gedragingen alleen maar als onrechtmatig beschouwd als ook onwetmatig
waren. Alleen een handelen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of een inbreuk op een
recht werd als onrechtmatige daad aangemerkt. Met ongeschreven rechtsregels (schending van
zorgvuldigheidsnormen) werd geen rekening gehouden.
Bij gevaarzetting schendt iemand een zorgvuldigheidsnorm en pleegt daarmee een onrechtmatige
daad wanneer een gevaar in het leven wordt geroepen waarmee een normaal denkend en
handelend persoon geen rekening hoeft te houden.
Toerekening: Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, als zij te wijten is aan
zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen
voor zijn rekening komt. (art. 6:162 lid 3 BW)
De eiser zal dus moeten aantonen dat:
De dader schuld heeft aan het ontstaan van de onrechtmatige daad; hem moet een verwijt
kunnen worden gemaakt, óf dat:
De gevolgen van de onrechtmatige daad, ook al trof de dader geen enkele schuld, gewoon
voor zijn rekening komen en wel krachtens de wet of krachtens de verkeersopvattingen.
Het gaat om alternatieve voorwaarden. Voldoende als één van de twee bewezen wordt.
Uitgangspunt van boek 6 BW is de schuldaansprakelijkheid. Een daad kan iemand worden
aangerekend, omdat deze persoon op dit punt een verwijt kan worden gemaakt.
Risicoaansprakelijkheid Iemand wordt aansprakelijk gesteld omdat de gevolgen van een bepaalde
onrechtmatige daad hem ‘gewoon’ worden toegerekend, zonder dat de schuldvraag van belang is.
1
daad
Schadevergoeding is de vergoeding die je krijgt als er schade is geleden door het aandoen van een
ander persoon. Schadevergoeding kan je vorderen op basis van onrechtmatige en rechtmatige daad
en het schenden van een overeenkomst (wanprestatie).
Vier vereisten voor schadevergoeding (art. 6:162 BW):
1. Onrechtmatig
2. Toerekening
3. Schade
4. Causaal verband
Onrechtmatige daad (art. 6:162 lid 2 BW):
® Een inbreuk op een recht
® Handelen in strijd met een wettelijke plicht
® Handelen in strijd met het ongeschreven recht (schending van zorgvuldigheidsnorm)
Een inbreuk op een recht houdt een inbreuk in op een subjectief recht.
Strijd met een wettelijke plicht Een handeling in strijd met een plicht dat door de wet is opgelegd,
is een onrechtmatige daad.
Strijd met ongeschreven recht
Iemand kan een onrechtmatige daad begaan zonder dat hij een geschreven regel heeft geschonden.
Het gaat om de zorgvuldigheidsnormen. In het maatschappelijk verkeer moet je je vaak op een
bepaalde manier gedragen. Als je dat niet doet worden er verwachtingen geschonden. Schending
daarvan houdt in: het plegen van een onrechtmatige daad.
Heel vroeger werden gedragingen alleen maar als onrechtmatig beschouwd als ook onwetmatig
waren. Alleen een handelen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of een inbreuk op een
recht werd als onrechtmatige daad aangemerkt. Met ongeschreven rechtsregels (schending van
zorgvuldigheidsnormen) werd geen rekening gehouden.
Bij gevaarzetting schendt iemand een zorgvuldigheidsnorm en pleegt daarmee een onrechtmatige
daad wanneer een gevaar in het leven wordt geroepen waarmee een normaal denkend en
handelend persoon geen rekening hoeft te houden.
Toerekening: Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, als zij te wijten is aan
zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen
voor zijn rekening komt. (art. 6:162 lid 3 BW)
De eiser zal dus moeten aantonen dat:
De dader schuld heeft aan het ontstaan van de onrechtmatige daad; hem moet een verwijt
kunnen worden gemaakt, óf dat:
De gevolgen van de onrechtmatige daad, ook al trof de dader geen enkele schuld, gewoon
voor zijn rekening komen en wel krachtens de wet of krachtens de verkeersopvattingen.
Het gaat om alternatieve voorwaarden. Voldoende als één van de twee bewezen wordt.
Uitgangspunt van boek 6 BW is de schuldaansprakelijkheid. Een daad kan iemand worden
aangerekend, omdat deze persoon op dit punt een verwijt kan worden gemaakt.
Risicoaansprakelijkheid Iemand wordt aansprakelijk gesteld omdat de gevolgen van een bepaalde
onrechtmatige daad hem ‘gewoon’ worden toegerekend, zonder dat de schuldvraag van belang is.
1