Historische context
• Historische periode: 500 –1500
• Feodaal stelsel/leenstelsel
o Grond werd door leenheren toebedeeld aan leenmannen (vazallen), in ruil voor
verplichting v persoonlijke trouw, militaire bijstand en belastinginkomsten.
• Middeleeuwen: donkere periode tussen de hoogtepunten v/d beschaving (500 en 1500).
o Vroege Middeleeuwen: opbouw v nieuwe beschaving na val Romeinse Rijk.
o Hoge Middeleeuwen: opkomst v steden.
o Late Middeleeuwen: steeds machtigere burgerij.
• Standenmaatschappij.
1. Geestelijkheid: priesters die konden lezen en schrijven.
2. Adel en ridders: macht door leenstelsel, soms lezen en schrijven.
3. Burgerij
• Geen eenheidstaal, maar taal heeft toch een naam: Middelnederlands/Diets
Algemene kenmerken
• Theocentrisch
o Alles draait om God en de duivel.
• Memento mori
o Gedenk te sterven.
• Aannemen op gezag
o Wat het gezag zegt, valt niet in twijfel te trekken.
• Gemeenschapskunst
o Geen persoonlijke handtekening kunstenaar, want God is schepper v alles.
• Moralistisch
o Ieder kunstwerk heeft een moraal.
§ Gods almacht aantonen.
§ Toehoorders aansporen tot een goed en deugdzaam leven.
Literatuur
• Orale literaire traditie (mondeling)
o Verhalen bedoeld om voorgedragen + beluisterd te worden --> beter onthouden.
o Literatuur werd vertaald/bewerkt naar het Frans of Latijn.
• Codex: boek dat door kopiisten met de hand werd geschreven in een scriptorium.
o 1450: uitvinding boekdrukkunst.
§ Oplagen werden groter + meer behoefte aan boeken.
• Roman: episch (verhalend) gedicht, waarin de lotgevallen v ridders worden beschreven.
1
, Eerste periode (1170 - 1300)
• Ridderlijke literatuur
o Voorhoofse ridderroman (Karelroman)
§ Gaat over Karel de Grote (modelvorst) en zijn vazallen.
§ Ondergeschikte positie + wrede behandeling vrouw.
§ Trouw aan leenheer beloond, ontrouw bestraft.
§ Wreed optreden v ridders, vechten om hiërarchie (rangorde)
§ Sprookjesmotieven
§ (Bloed)wraak
§ Bekend literatuurwerk: Karel ende Elegast
o Hoofse ridderroman
§ Hoofs: aan het hof.
§ Minne: verering v/d jonkvrouw.
§ Moedige en sterke, maar tegelijk slimme ridders.
§ Liefde als centraal thema.
§ Wonderlijke sfeer met sprookjeselementen.
• Geestelijke literatuur
o Levensbeschrijvingen v heiligen + mystieke werken (heiligenlevens)
• Burgerlijke literatuur
o Didactische (onderwijzende) en moraliserende elementen
§ Nut en waarheid staan voorop
o Bekend literatuurwerk: Van den Vos Reynaerde
Tweede periode (1300 - 1430)
• Ridderlijke literatuur
o Abele spelen: oudste wereldlijke toneelstukken.
• Geestelijke literatuur
o Verhalen waarin heilige figuren (legenden) optreden; gebeurt minstens één wonder.
• Burgerlijke literatuur
o Geschiedenisboeken, verhalen over liefde.
o Kluchten/sotternieën: verhalen over rauwe volksleven, vol realistische en erotische
grappen en grollen.
o Balladen: eenvoudige, verhalende gedichten in coupletten.
Derde periode (1430 – 1550)
• Rederijkerskamers: letterkundige verenigingen waar mensen voordrachten, toneel en
poëzie maakten.
• Drie belangrijke soorten toneelspelen
o Mysteriespelen:
§ Geloofsraadselen in toneelvorm.
o Mirakelspelen:
§ Wonderen op religieus gebied.
o Moraliteiten/sinnespelen:
§ Wijze les op zedenkundig of godsdienstig gebied.
§ Allegorische figuren: personificaties v karaktereigenschappen of bepaalde
begrippen.
2