Zenuwstelsel
Inhoudsopgave
Histologie...................................................................................................................................................... 2
Neuronale communicatie............................................................................................................................... 4
Snelle synaptische transmissie....................................................................................................................... 5
Trage synaptische transmissie........................................................................................................................ 7
Leren & geheugen........................................................................................................................................ 10
Neurodegeneratieve aandoeningen............................................................................................................. 12
Neuronale ontwikkeling............................................................................................................................... 14
Neuroanatomie........................................................................................................................................... 17
Sensorische systemen.................................................................................................................................. 21
,Histologie
Twee onderverdelingen in ons zenuwstelsel
1. Centraal zenuwstelsel
- Brein
- Ruggenmerg
2. Perifere zenuwstelsel
- Autonoom (onbewust en automatisch gedrag) (ademen/ hartslag/ hormonen)
a. Sympatisch (in actie)
b. Parasympatisch (in rust)
- Somatisch --> vrijwillige bewegingen (bewegingen skeletspieren – buigen van knie) +
reflexen
2 typen cellen in ons zenuwcellen
- Neuronen
- Gliacellen (ondersteunende cellen)
Efferent (afvoerende zenuwen) en afferent (aanvoerende zenuwen)
Efferent: motorische zenuwen
o Brengen motorische informatie vanuit het CZS naar spieren en organen
Afferent: sensorische zenuwen
o Brengen sensorische informatie van spieren en organen naar het CZS
SAME: Sensorisch Afferent, Motorisch Efferent (ezelsbruggetje)
- Sensorische neuronen liggen met cellichaam in een bundel > ganglion
3 soorten receptoren die sensorische info geven:
1. Somatisch sensorisch > buitenwereld monitoren
2. Visceraal sensorisch > monitoren interne condities (zuurgraad/ hormoonlevel in bloed)
3. Interoceptoren > spijsverterings, cardiovasculair, respiratoir, urinair en reproductief > info uit
omgeving zoals druk, temperatuur, smaak, reuk
(proprioreceptoren monitoren de positie en beweging van skeletspieren en gewrichten –
evenwicht)
Drie verschillende onderdelen neuron:
- Dendriet > ontvanger (ontvangen informatie)
- Cellichaam > celkern (processen informatie)
- Axon > zender (informatie doorgeven)
Synaps voor contact tussen neuronen
Dendritic spines >> uitstulpingen op dendriet die contact maken met een ander neuron
Communicatie synapsspleet:
- Presynaptisch membraan (neurotransmitter komt daar vandaan)
- Synapsspleet (neurotransmitter in spleet)
- Postsynaptisch membraan (neurotransmitter bindt aan dit membraan)
, Neuronen kennen verschillende eigenschappen:
1. Aantal neurieten (uitlopers)
2. Vorm van dendrieten:
o Bipolair (netvlies), unipolaire neuronen (sensorisch
neuron want kan snel plaatsvinden, hoeft niet door het
cellichaam), multipolaire neuronen (motorisch neuron:
groot aantal dendrieten, groot cellichaam want moet veel
informatie verwerken)
3. Lengte axon
4. Functie (afferent/ efferent)
5. Transmitter secretie (type neurotransmitter dat wordt afgegeven)
Gliacellen
Gliacellen CZS
- Microglia (macrofagen hersenen)
- Ependymcellen > bekleden van centrale kanalen in het ruggenmerg
- Oligodendrocyten > maken myeline in czs (vandaar witte kleur)
o Versnelde informatietransductie
o Aangedaan bij MS
- Astrocyten > meest voorkomend: voeden neuronen, bloed-hersen barrière (zodat
stoffen niet zomaar in en uit de hersenen kunnen stromen), immunologische functie
(actief bij ontsteking), secretie groeifactoren, opname Na, K en neurotransmitters
o Trypartite synapse > neurotransmitters opname en afbraak, ook hoeveelheid
neurotransmitters + receptoren beïnvloeden
Calcium geactiveerd door glutamaat > bindt aan astrocyten > Ip3 zorgt voor
vrijgeven calcium > glutamaat (neurotransmitter) afgifte wordt verhoogd
Gliacellen PZS
- Sattelietcellen > voeding neuronen
- Schwanncellen > hetzelfde als oligodendrocyten in CZS: aanmaak myeline
Verschillen schwancellen & oligodendrocyten
o Cellen van schwann: kunnen 1 axon myeliniseren
o Oligodendrocyten kunnen meerdere axonen tegelijk myeliniseren
Langs de cellen van schwann kunnen axonen hergroeien, langs oligodendrocyten
niet (MS: myeline kan niet opnieuw worden gemaakt, want kunnen niet langs
oligodendrocyten groeien)
Alleen in perifere zenuwstelsel kan myelineschade hersteld worden want alleen daar
zitten de cellen van schwann (axonen/ myeline kan hergroeien langs schwann cellen)
Inhoudsopgave
Histologie...................................................................................................................................................... 2
Neuronale communicatie............................................................................................................................... 4
Snelle synaptische transmissie....................................................................................................................... 5
Trage synaptische transmissie........................................................................................................................ 7
Leren & geheugen........................................................................................................................................ 10
Neurodegeneratieve aandoeningen............................................................................................................. 12
Neuronale ontwikkeling............................................................................................................................... 14
Neuroanatomie........................................................................................................................................... 17
Sensorische systemen.................................................................................................................................. 21
,Histologie
Twee onderverdelingen in ons zenuwstelsel
1. Centraal zenuwstelsel
- Brein
- Ruggenmerg
2. Perifere zenuwstelsel
- Autonoom (onbewust en automatisch gedrag) (ademen/ hartslag/ hormonen)
a. Sympatisch (in actie)
b. Parasympatisch (in rust)
- Somatisch --> vrijwillige bewegingen (bewegingen skeletspieren – buigen van knie) +
reflexen
2 typen cellen in ons zenuwcellen
- Neuronen
- Gliacellen (ondersteunende cellen)
Efferent (afvoerende zenuwen) en afferent (aanvoerende zenuwen)
Efferent: motorische zenuwen
o Brengen motorische informatie vanuit het CZS naar spieren en organen
Afferent: sensorische zenuwen
o Brengen sensorische informatie van spieren en organen naar het CZS
SAME: Sensorisch Afferent, Motorisch Efferent (ezelsbruggetje)
- Sensorische neuronen liggen met cellichaam in een bundel > ganglion
3 soorten receptoren die sensorische info geven:
1. Somatisch sensorisch > buitenwereld monitoren
2. Visceraal sensorisch > monitoren interne condities (zuurgraad/ hormoonlevel in bloed)
3. Interoceptoren > spijsverterings, cardiovasculair, respiratoir, urinair en reproductief > info uit
omgeving zoals druk, temperatuur, smaak, reuk
(proprioreceptoren monitoren de positie en beweging van skeletspieren en gewrichten –
evenwicht)
Drie verschillende onderdelen neuron:
- Dendriet > ontvanger (ontvangen informatie)
- Cellichaam > celkern (processen informatie)
- Axon > zender (informatie doorgeven)
Synaps voor contact tussen neuronen
Dendritic spines >> uitstulpingen op dendriet die contact maken met een ander neuron
Communicatie synapsspleet:
- Presynaptisch membraan (neurotransmitter komt daar vandaan)
- Synapsspleet (neurotransmitter in spleet)
- Postsynaptisch membraan (neurotransmitter bindt aan dit membraan)
, Neuronen kennen verschillende eigenschappen:
1. Aantal neurieten (uitlopers)
2. Vorm van dendrieten:
o Bipolair (netvlies), unipolaire neuronen (sensorisch
neuron want kan snel plaatsvinden, hoeft niet door het
cellichaam), multipolaire neuronen (motorisch neuron:
groot aantal dendrieten, groot cellichaam want moet veel
informatie verwerken)
3. Lengte axon
4. Functie (afferent/ efferent)
5. Transmitter secretie (type neurotransmitter dat wordt afgegeven)
Gliacellen
Gliacellen CZS
- Microglia (macrofagen hersenen)
- Ependymcellen > bekleden van centrale kanalen in het ruggenmerg
- Oligodendrocyten > maken myeline in czs (vandaar witte kleur)
o Versnelde informatietransductie
o Aangedaan bij MS
- Astrocyten > meest voorkomend: voeden neuronen, bloed-hersen barrière (zodat
stoffen niet zomaar in en uit de hersenen kunnen stromen), immunologische functie
(actief bij ontsteking), secretie groeifactoren, opname Na, K en neurotransmitters
o Trypartite synapse > neurotransmitters opname en afbraak, ook hoeveelheid
neurotransmitters + receptoren beïnvloeden
Calcium geactiveerd door glutamaat > bindt aan astrocyten > Ip3 zorgt voor
vrijgeven calcium > glutamaat (neurotransmitter) afgifte wordt verhoogd
Gliacellen PZS
- Sattelietcellen > voeding neuronen
- Schwanncellen > hetzelfde als oligodendrocyten in CZS: aanmaak myeline
Verschillen schwancellen & oligodendrocyten
o Cellen van schwann: kunnen 1 axon myeliniseren
o Oligodendrocyten kunnen meerdere axonen tegelijk myeliniseren
Langs de cellen van schwann kunnen axonen hergroeien, langs oligodendrocyten
niet (MS: myeline kan niet opnieuw worden gemaakt, want kunnen niet langs
oligodendrocyten groeien)
Alleen in perifere zenuwstelsel kan myelineschade hersteld worden want alleen daar
zitten de cellen van schwann (axonen/ myeline kan hergroeien langs schwann cellen)