HC 1 &2 – de organisatie van DNA
- Morfologisch perspectief = duidt op de vormverandering die plaatsvinden
- Moleculaire perspectief = moleculen (eiwitten) die de vormverandering aansturen,
controleren en mogelijk maken
Bevruchte eicel gaat zich delen (klievingsdelingen) – hierbij zijn de gevormde cellen
(blastomeren) niet verschillend – vervolgens cellen aan de rand van de morula
(stadium waar vrucht uit 16+ cellen bestaat) en het trofectoderm (trofoblast) andere
cellen tot expressie brengen
Door expressie van verschillende specifieke transcriptiefactoren
>> trofectoderm ontwikkelt zich tot placenta
>> binnenste celmassa ontwikkelt zich tot embryo
- DNA wordt opgevouwen in chromosomen omdat:
o Garanderen juiste replicatie en verdeling van twee dochtercellen na celdeling
o Toegang behouden voor reparatie en transcriptie enzymen
- Chromatine = totaal aan DNA met eiwitten
- Heterochromatine = erg compact, onderdrukt de transcriptie
- Euchromatine = minder compact, actieve transcriptie
>> replicatie: DNA DNA
>> transcriptie: DNA RNA
>> translatie: RNA eiwit
- Karyotype = staan alle chromosomen van kort naar lang
- 1 dubbelstrengs DNA-molecuul is 1 chromosoom
- Nucleosoom = 8 histonen met 147 nucleotiden DNA eromheen gewikkeld
- Purines = dubbele ring: A, T
- Pyrimidines = enkele ring: C, G, U
- Base (C1 van suiker), OH (C3 van suiker), fosfaatgroep (C5 van suiker)
- Puntmutatie: SNP’s, deleties en insertie
- Slechts een klein deel van DNA codeert voor eiwitten >> de rest zorgt ervoor dat alle
genen op hun plek blijven zitten en dat ze op het juiste moment geactiveerd worden
- Histon 1 = linker tussen histonen en opgerolde DNA
- Histonen: veel eiwitten met + lading >> DNA heeft – lading >> trekken elkaar aan
DNA losser of vaster om histonen:
- chromatin remodeling complexes >> DNA wordt verschoven >> hierdoor bepaalde
stukjes DNA afleesbaar die dat eerst nog niet waren (ATP nodig)
- histon staart modificatie >> aan histonstaart kunnen aminozuren zitten >> afhankelijk
welke dit zijn bepaald hoe strak of los het DNA om histonen zit gewikkeld
>> ook acetylgroepen (negatief) binden hieraan >> losser maken DNA
,HL1 mini sv
>> beinvloedt door histon acetyl transferase (HAT) en HDAC (histon de-acetylase)
HC 3 – DNA-replicatie
- interfase: G1-fase, S-fase, G2-fase
o G1-fase >> eerste groeifase, toename cytoplasma, aanmaak van eiwitten
o S-fase >> DNA-replicatie
o G2-fase >> tweede groeifase, afbraak van cytoskelet, ontdubbeling van het
centriolenpaar
- mitose = celdeling
-
Verschillende manieren celdeling:
- conservatief = oude cel blijft 1 geheel >> gehele replicatie wordt een nieuwe streng
DNA
- semiconservatief = elke dochtercel bestaat uit 1 oude en 1 nieuwe streng
- dispersief = oude en nieuwe stukjes DNA worden om en om afgewisseld
DNA-replicatie
- replicatie begint bij replication origin (eukaryoten hebben meerdere op chromosoom
>> DNA sneller gerepliceerd), prokaryoten (bacterien) maar 1 origin)
- plekken waar replicatie origins het DNA openen: replicatie vorken >> gaan net zolang
door tot de vorken elkaar tegenkomen
DNA-polymerase kan niet zelf beginnen >> heeft primer nodig >> RNA-polymerase kan
dit wel
1. DNA-helicase breekt strengen open, werkt samen met DNA-primase >> samen het
primosoom: functie: openen strengen + RNA-primers op zijn plek
2. Primer (stukje RNA) bindt aan 3’ kant (is het begin van de 5’ kant >> maakt van 5’
naar 3’)
3. Hierdoor kan DNA-polymerase binden, heeft drie soorten activiteiten:
- dna polymerase activiteit: bouwt een DNA streng op, voegt nucleotiden toe aan 3’
- exonuclease activiteit >> breekt aan het einde nucleotide af >> kan beiden kanten op
- endonuclease activiteit >> knipt in het midden van het DNA nucleotides eruit
, HL1 mini sv
4. probleem: de replicatievork gaat naar de rechterkant >>
- leadingstrand (onder) kan worden gekopieerd zonder probleem (5’ 3’)
- laggingstrand (boven) wordt anders gekopieerd (3’ 5’) > backstitching >> ogazaki
fragmenten
Aan elke vork zit een legging en leading strand
synthese van 3’ 5’ (lagginstrand)
1. primase synthetiseert RNA primers
2. DNA polymerase bindt aan 3’ kant en maakt van 5’ 3’
3. Stopt als hij stukje primer tegenkomt >> ogazaki fragment
4. DNA polymerase vervangt de RNA primer voor DNA
>> Exonuclease en endonuclease activiteit >> knipt primers eraf
5. DNA ligase dicht de ruimte tussen ogazaki
fragmenten
- Telomeer = uiteinde van een chromosoom
Na elke replicatie zou chromosoom korter worden
>> hiervoor hebben we telomerase
Komt door:
- Aan het uiteinde van chromosoom kan RNA-primer niet vervangen worden voor
DNA, waardoor de primer eraf gehaald wordt en het uiteinde van het chromosoom
(telomeer) steeds korter wordt
Telomerase:
- Reverse transcriptase: kan beiden kanten op werken
- Heeft een vrije 3’ kant nodig
- Heeft een RNA-template nodig
- Maakt een nieuwe stukje DNA aan de vrije 3’ kant
- Zullen uiteindelijk doodgaan als de telomeren steeds korter/ te kort worden
Kanker: telomerases zijn actief/ gaan niet dood, replicatie blijft mogelijk
Mutaties in gameten (geslachtscellen) worden doorgegeven
Mutaties in somatische (lichaamscellen) cellen worden niet doorgegeven
Voor kanker: meerdere mutaties nodig, hoe ouder hoe meer mutaties, des te groter de kans
op kanker
Spontane mutaties: