H1: Diagnostiek: inschatten van mensen
In het voorspellingsproces zijn er steeds 2 variabelen: test en criterium de mate waarin
deze met elkaar overeenkomen is hoe goed de voorspelling is de predicatieve validiteit
Valid Positive: iets gaat gebeuren en het gaat
ook gebeuren
False Positive: iets zou gaan gebeuren maar is
niet gebeurd
False Negative: iets zou niet gebeuren maar
gebeurde wel
Valid Negative: iets zou niet gebeuren en is
ook niet gebeurd
Correlatiecoëfficiënt = getal tussen 0 en 1,00 dar de sterkte van relatie tussen 2 variabelen
weergeeft 1,00 is perfecte correlatie
↪️Platte ellips nadert 1,00
Fouten in onze beoordeling:
- Verstandige fouten False Positive
- Overschatten van specifieke kansen
- Beschikbaarheidsheuristiek: dingen waarover we snel voorbeelden uit ons geheugen
kunnen opdiepen denken we van dat ze vaker voorkomen
- Regressie naar het gemiddelde: uiteindelijk gaat het van extreem hoog/laag weer
naar het gemiddelde
- Eerste en laatste indruk
- Reductie van cognitieve dissonantie: het verminderen van tegenstrijdige gevoelens
Horn- en halo-effecten: halo-effect = op basis van een aantal positieve zaken van iemand
aannemen dat die ook op andere vlakken goed presteert en ook omgekeerd
Middel tegen beoordelingsfouten:
- Contrary Evidence: zoeken naar aanwijzingen om het tegenovergestelde te bewijzen
- Falsificatie: experimenten om wetenschappelijke ideeën onderuit te halen
- Multi-ratermethode: meerdere personen inschakelen om tot een oordeel te komen
, H2: Kenmerken van en kwaliteitseisen aan diagnostische instrumenten
3 soorten diagnostische instrumenten:
1. Het interview strak gestructureerd of juist volledig vrij en open
2. Psychologische test
3. (Gedrag)observaties volledig gestructureerd tot volledig ongestructureerd
Wanneer is een test goed:
- Wetenschappelijke achtergrond
- Schalen zijn zuiver/homogeen
- Betrouwbaarheid en validiteit zijn onderzocht
- Standaardisatie materiaal, afname en scoring inschattingsfouten voorkomen
door factor ‘situatie’ te standaardiseren alle kandidaten in exact dezelfde
omstandigheden te onderzoeken testhandleiding
- Normgroepen
o Categorale kenmerken = of volledig of in het geheel niet aanwezig zijn (niet
beetje)
o Dimensionale kenmerken = iets nauwkeurig aangeven
o Categorale begrippen gebruiken in de DSM-5 is precies aangegeven welke
symptomen bij iets horen
- Meetpretenties onderzocht testen voortdurend onderzocht
Big 5-model: extraversie, altruïsme, consciëntieusheid, openheid en neuroticisme
Factor = verzameling hoge correlatiecoëfficiënten
Betrouwbaarheid = mate waarin de test stabiel en consistent is, afwezigheid van ruis
Betrouwbaarheidscoëfficiënt:
- Bij belangrijke beslissingen op individueel niveau r ≥ 0,80
- Bij een beroepskeuze r ≥ 0,70
- Bij een experimenteel groepsgewijs onderzoek r ≥ 0,60
Betrouwbaarheidscoëfficiënt bepalen:
- N (N-1) : 2
- Splitsingsmethode: items in 3 groepen en correlatie tussen groepen wordt
onderzocht
- Test-hertestmethode: een test opnieuw gemaakt met tijd ertussen
- Interraterbetrouwbaarheid: betrouwbaarheid tussen beoordelaars
Validiteit = de mate waarin de test aan zijn doel beantwoordt
- Construct- of begripsvaliditeit: wanneer krijgt iemand het etiket/label
- Predicatieve of criteriumvaliditeit: de mate waarin een test in staat is iets te
voorspellen wat in de toekomst zal plaatvinden of nog niet zichtbaar is
- Face-validiteit: de mate waarin de kandidaat of cliënt de gebruikte methode
accepteert of de waarde ervan begrijpt