Oefentoets medisch rekenen VP 4.3
1. Meneer de Jong krijgt een voedingsinfuus. Hij krijgt 1250 ml in 22 uur. Wat is de
druppelsnelheid in druppels per minuut?
2. Bij mevrouw Pieterse staat thuis een zuurstofcilinder met een inhoud van 8 liter. De klok
wijst 180 atmosfeer aan. Zij krijgt 3 liter per minuut. Hoe lang kan zij nog gebruik maken van
deze cilinder?
3. Mevrouw Jongsma krijgt continue sondevoeding. Zij maakt gebruik van een voedingspomp.
Zij krijgt 1,5 liter per 16 uur. Op hoeveel ml per uur stel je de pomp in?
4. Op de unit heb je een zoutoplossing van 60%. Een zorgvrager moet met zijn voet in een
zoutbad. Hiervoor heb je 1200 ml zoutoplossing nodig van 15%. Hoeveel ml zoutoplossing
van 60% heb je nodig?
5. Je moet een 750 ml Urifort-oplossing 5% maken. Je hebt een 25% Urifort-oplossing aanwezig.
Hoeveel ml 25% oplossing gebruik je?
6. Meneer Jacobs krijgt 40 IE insuline. Je hebt in voorraad een ampul waarop staat 1 ml = 100IE.
Hoeveel ml spuit je?
7. Mevrouw de Groot krijgt 60 mg Pethidine(oplossing) voorgeschreven. Er is een
Pethidineoplossing 5% aanwezig. Hoeveel ml geef je?
8. Meneer Groen heeft een zware keelontsteking en krijgt hiervoor antibiotica. De arts schrijft 4
maal daags 0,5 gram Amoxicilline voor. Aanwezig zijn in helften deelbare tabletten met
daarin 250 mg Amoxicilline. Hoeveel tabletten geef je per dag?
9. Meneer Janssen krijgt antibioticatabletten voor een infectie. Er is een doos van 40
Amoxicilline tabletten 250 mg aanwezig. De arts schrijft 1500 mg in 3 gelijke doseringen per
dag toe. Hoeveel hele en/of gedeelde tabletten krijgt meneer per dosis?
1. Meneer de Jong krijgt een voedingsinfuus. Hij krijgt 1250 ml in 22 uur. Wat is de
druppelsnelheid in druppels per minuut?
2. Bij mevrouw Pieterse staat thuis een zuurstofcilinder met een inhoud van 8 liter. De klok
wijst 180 atmosfeer aan. Zij krijgt 3 liter per minuut. Hoe lang kan zij nog gebruik maken van
deze cilinder?
3. Mevrouw Jongsma krijgt continue sondevoeding. Zij maakt gebruik van een voedingspomp.
Zij krijgt 1,5 liter per 16 uur. Op hoeveel ml per uur stel je de pomp in?
4. Op de unit heb je een zoutoplossing van 60%. Een zorgvrager moet met zijn voet in een
zoutbad. Hiervoor heb je 1200 ml zoutoplossing nodig van 15%. Hoeveel ml zoutoplossing
van 60% heb je nodig?
5. Je moet een 750 ml Urifort-oplossing 5% maken. Je hebt een 25% Urifort-oplossing aanwezig.
Hoeveel ml 25% oplossing gebruik je?
6. Meneer Jacobs krijgt 40 IE insuline. Je hebt in voorraad een ampul waarop staat 1 ml = 100IE.
Hoeveel ml spuit je?
7. Mevrouw de Groot krijgt 60 mg Pethidine(oplossing) voorgeschreven. Er is een
Pethidineoplossing 5% aanwezig. Hoeveel ml geef je?
8. Meneer Groen heeft een zware keelontsteking en krijgt hiervoor antibiotica. De arts schrijft 4
maal daags 0,5 gram Amoxicilline voor. Aanwezig zijn in helften deelbare tabletten met
daarin 250 mg Amoxicilline. Hoeveel tabletten geef je per dag?
9. Meneer Janssen krijgt antibioticatabletten voor een infectie. Er is een doos van 40
Amoxicilline tabletten 250 mg aanwezig. De arts schrijft 1500 mg in 3 gelijke doseringen per
dag toe. Hoeveel hele en/of gedeelde tabletten krijgt meneer per dosis?