Nummer Categorie Formuleerfout Uitleg
1 Onjuiste Verkeerd woord Twee woorden die op elkaar lijken maar wat
woordkeus anders betekenen worden door elkaar gehaald
(liggen, leggen)
2 Contaminatie Twee woorden of uitdrukkingen met dezelfde
betekenis zijn samengevoegd (uitprinten)
3 Containerwoord Te moeilijke woorden, die de lezer niet
misschien niet kent (conform het recept
(volgens))
4 Barbarisme Woord dat in zijn geheel is overgenomen uit
een andere taal, vaak niet goed Nederlands. (Ik
ben akkoord(ik ga akkoord))
5 Modewoord Straattaal woorden
6 Neologismen Nieuwe woorden die door veel gebruik zijn
opgenomen in de taal, zijn misplaatst voor een
zakelijke tekst.
7 Archaïsmen Verouderde woorden (doen toekomen
(sturen))
8 Platte woorden Grof taalgebruik
9 Stijl Storende Steeds hetzelfde woord wordt gebruikt. (elke
woordherhaling zin met ook beginnen)
10 Foutieve tautologie twee woorden met precies dezelfde betekenis
worden in 1 zin gebruikt (ik heb toestemming
om te mogen gaan)
11 Foutief pleonasme Een eigenschap die samenhangt met het
genoemde woord wordt nog een keer
genoemd (witte sneeuw, ronde cirkel)
12 Dubbele ontkenning Twee ontkenningen worden in 1 zin gebruikt (ik
gebruik nooit geen suiker)
13 Overbodige woorden Woorden die de helderheid van de zin in de
weg staan (ik vind dus zegmaar)
14 Ambiguïteit Dubbelzinnig,
- Hele zin(grammaticaal)
- Woord(semantisch)
Bij de hele zin, kan de zin anders worden
opgevat. Bij het woord kan het woord
meerdere betekenissen hebben.
15 Storend figuurlijk (de uitvaartleider eindigde het gesprek met:
taalgebruik ‘Zand erover.’
16 Overdrijving Ik werk me hier het schompes voor een
habbekrats.
17 Zinsbouw Woorden op de Door woorden op de verkeerde plaats te
verkeerde plaats zetten, kan de zin verkeerd overkomen
(morgen verwacht de weerman dat het weer
omslaat)
18 Telegramstijl Onvolledige zinnen, veel woorden weggelaten.
(training gaat door. 19.30 op veld)
19 Congruentiefout Onderwerp en persoonsvorm altijd in zelfde
vorm (ev/mv) (de media maakt(de media
maken))
20 Bedrijvende vorm Onderwerp verricht de actie (Bas wast de auto)
1 Onjuiste Verkeerd woord Twee woorden die op elkaar lijken maar wat
woordkeus anders betekenen worden door elkaar gehaald
(liggen, leggen)
2 Contaminatie Twee woorden of uitdrukkingen met dezelfde
betekenis zijn samengevoegd (uitprinten)
3 Containerwoord Te moeilijke woorden, die de lezer niet
misschien niet kent (conform het recept
(volgens))
4 Barbarisme Woord dat in zijn geheel is overgenomen uit
een andere taal, vaak niet goed Nederlands. (Ik
ben akkoord(ik ga akkoord))
5 Modewoord Straattaal woorden
6 Neologismen Nieuwe woorden die door veel gebruik zijn
opgenomen in de taal, zijn misplaatst voor een
zakelijke tekst.
7 Archaïsmen Verouderde woorden (doen toekomen
(sturen))
8 Platte woorden Grof taalgebruik
9 Stijl Storende Steeds hetzelfde woord wordt gebruikt. (elke
woordherhaling zin met ook beginnen)
10 Foutieve tautologie twee woorden met precies dezelfde betekenis
worden in 1 zin gebruikt (ik heb toestemming
om te mogen gaan)
11 Foutief pleonasme Een eigenschap die samenhangt met het
genoemde woord wordt nog een keer
genoemd (witte sneeuw, ronde cirkel)
12 Dubbele ontkenning Twee ontkenningen worden in 1 zin gebruikt (ik
gebruik nooit geen suiker)
13 Overbodige woorden Woorden die de helderheid van de zin in de
weg staan (ik vind dus zegmaar)
14 Ambiguïteit Dubbelzinnig,
- Hele zin(grammaticaal)
- Woord(semantisch)
Bij de hele zin, kan de zin anders worden
opgevat. Bij het woord kan het woord
meerdere betekenissen hebben.
15 Storend figuurlijk (de uitvaartleider eindigde het gesprek met:
taalgebruik ‘Zand erover.’
16 Overdrijving Ik werk me hier het schompes voor een
habbekrats.
17 Zinsbouw Woorden op de Door woorden op de verkeerde plaats te
verkeerde plaats zetten, kan de zin verkeerd overkomen
(morgen verwacht de weerman dat het weer
omslaat)
18 Telegramstijl Onvolledige zinnen, veel woorden weggelaten.
(training gaat door. 19.30 op veld)
19 Congruentiefout Onderwerp en persoonsvorm altijd in zelfde
vorm (ev/mv) (de media maakt(de media
maken))
20 Bedrijvende vorm Onderwerp verricht de actie (Bas wast de auto)