Organellen
Een organel is een specifiek onderdeel van een eukaryote cel met een bepaalde functie.
Organellen kunnen beschouwd worden als de organen van een cel die de diverse
celprocessen mogelijk maken.
Nucleus Celkern (Bevat DNA met genetische code voor eiwitten, zoals enzymen,
hormonen en hemoglobine)
Nucleolus (kernlichaampje) Organel in de celkern waarin het rRNA (ribosomaal RNA)
aangemaakt wordt. Dit is nodig om buiten de celkern eiwitten te maken.
Mitochondriën Leveren energie (ATP) door voeding en zuurstof om te zetten in
kooldioxide en water.
Ribosomen Aminozuren koppelen tot eiwitten
Endoplasmatisch recticulum Netwerk van membranen gelegen in het cytoplasma van de
cel. Zorgt voor transport van eiwitten in de cel naar het Golgi complex.
Golgi – complex Verwerkt producten uit het endoplasmatisch recticulum en slaat ze op
(Bijvoorbeeld hormonen bewerken en bewaren)
Lysosomen Zitten vol agressieve enzymen die micro-organismen kunnen afbreken.
(Lysosomen zijn belangrijk in afweercellen). De functie van lysosomen is vooral het verteren
van eiwitten.
Peroxisomen De belangrijkste functie van peroxisomen is het verwijderen van schadelijke
producten, in het bijzonder waterstofperoxide.
, DNA
DNA bevindt zich in de celkern in de vorm van chromosomen.
DNA is opgebouwd uit nucleotiden (ook wel stikstofbasen)
Menselijke cellen zijn diploïd (behalve eicellen en zaadcellen) dit betekent dat de cellen
beschikken over 2 sets genen.
Alle cellen (behalve geslacht cellen) bevatten dezelfde genetische code, verdeeld over 46
chromosomen.
Chromosomen 23 x 2 = 46 chromosomen.
Van alle chromosomen heb je er 2 één van de moeder en één van de vader.
1 t/m 22 zijn autosomen
23 geslachtcellen
XY = Jongen
XX = Meisje
Y-chromosoom Vorming testosteron + mannelijke kenmerken
X-chromosoom Bevat hormonale informatie
Transcriptie Kopie maken van gen(recept) op DNA
Messenger – RNA Boodschapper met een kopie (één streng) van het gen op het DNA.
Translatie Wat op het messenger RNA staat wordt uitgevoerd door de ribosomen op het
endoplasmatisch reticulum.
De Ribosomen koppelen aminozuren tot eiwitten
Eiwitten:
- Albumine
- Hemoglobine
- Immunoglobulinen
- Collageen
- Insuline
- (vertering) enzymen