Geschiedenis
Hoofdstuk 9
Joelle Willemsen
In de agrarisch-urbane samenleving rond 1700 woonde 80% op het platteland en om wat bij te
verdienen werkte men als spinners of wevers voor koopman-kapitalisten.
Ontwikkeling steden door:
1. De opbrengsten van de landbouw ging omhoog door:
- Wetenschappelijke kennis
- Introductie van nieuwe gewassen
- Betere landbouwwerktuigen
2. Beschikbaarheid meer voedsel en verbeterde ziektebestrijding > bevolkingsgroei
3. De koloniën gingen goedkoper grondstoffen leveren en er kwam meer winst > meer geld voor
verbetering van machines.
Ontwikkelingen in de textielindustrie;
1. De winst uit de landbouw en handel werden gebruikt om textielproductie te verbeteren.
2. Textielproductie kwam in grote fabrieken terecht, nadat het voor de huisnijverheid te duur/groot
werd.
3. Gebruik van stroomkracht ipv waterkracht, door James Watt kon het op grote schaal gebruikt
worden.
Economische gevolgen van deze ontwikkelingen:
1. Andere bedrijfstakken gingen ook stoommachines gebruiken
2. Kleine steden ontwikkelden zich tot grote fabriekssteden.
3. Om alles goed te vervoeren werden er spoorwegen en kanalen aangelegd
Sociale gevolgen van diezelfde ontwikkelingen:
1. De maatschappelijke indeling veranderde in klassen en standen.
- Meer fabriekseigenaren > rijk > trokken politieke macht naar zich toe > top maatschappelijke
ladder
2. Kwam een nieuwe sociale groep; arbeidersklasse
3. Versterking van de middenklasse > groeiende welvaart
- Groeiend zelfbewustzijn en streven naar politieke macht
Kenmerken arbeidersklasse
- Leef- en arbeidsomstandigheden waren beroerd.
- Lange werkdagen.
- Vrouwen en kinderen moesten meewerken.
- Het bestaan was zeer kwetsbaar en werd men ziek dan had men geen inkomsten.
- Een verbetering van de leefsituatie leek er niet in te zitten.
- Behoorlijk onderwijs was er niet
Toename invloed van de overheid bij:
1. Stichten van scholen voor beter onderwijs
2. De leefbaarheid verbeteren door afval beter op te halen en te verwerken.
3. Betere watervoorziening, aanleg van riolering, wegaanleg, openbaar vervoer en
energievoorziening.
Al die gevolgen waren zo ingrijpend dat we spreken van een Industriële revolutie
Hoofdstuk 9
Joelle Willemsen
In de agrarisch-urbane samenleving rond 1700 woonde 80% op het platteland en om wat bij te
verdienen werkte men als spinners of wevers voor koopman-kapitalisten.
Ontwikkeling steden door:
1. De opbrengsten van de landbouw ging omhoog door:
- Wetenschappelijke kennis
- Introductie van nieuwe gewassen
- Betere landbouwwerktuigen
2. Beschikbaarheid meer voedsel en verbeterde ziektebestrijding > bevolkingsgroei
3. De koloniën gingen goedkoper grondstoffen leveren en er kwam meer winst > meer geld voor
verbetering van machines.
Ontwikkelingen in de textielindustrie;
1. De winst uit de landbouw en handel werden gebruikt om textielproductie te verbeteren.
2. Textielproductie kwam in grote fabrieken terecht, nadat het voor de huisnijverheid te duur/groot
werd.
3. Gebruik van stroomkracht ipv waterkracht, door James Watt kon het op grote schaal gebruikt
worden.
Economische gevolgen van deze ontwikkelingen:
1. Andere bedrijfstakken gingen ook stoommachines gebruiken
2. Kleine steden ontwikkelden zich tot grote fabriekssteden.
3. Om alles goed te vervoeren werden er spoorwegen en kanalen aangelegd
Sociale gevolgen van diezelfde ontwikkelingen:
1. De maatschappelijke indeling veranderde in klassen en standen.
- Meer fabriekseigenaren > rijk > trokken politieke macht naar zich toe > top maatschappelijke
ladder
2. Kwam een nieuwe sociale groep; arbeidersklasse
3. Versterking van de middenklasse > groeiende welvaart
- Groeiend zelfbewustzijn en streven naar politieke macht
Kenmerken arbeidersklasse
- Leef- en arbeidsomstandigheden waren beroerd.
- Lange werkdagen.
- Vrouwen en kinderen moesten meewerken.
- Het bestaan was zeer kwetsbaar en werd men ziek dan had men geen inkomsten.
- Een verbetering van de leefsituatie leek er niet in te zitten.
- Behoorlijk onderwijs was er niet
Toename invloed van de overheid bij:
1. Stichten van scholen voor beter onderwijs
2. De leefbaarheid verbeteren door afval beter op te halen en te verwerken.
3. Betere watervoorziening, aanleg van riolering, wegaanleg, openbaar vervoer en
energievoorziening.
Al die gevolgen waren zo ingrijpend dat we spreken van een Industriële revolutie