1.1. De opzet van de kennisbasis
De kennis waarover leerkrachten in het basisonderwijs (en aankomende leerkrachten op de pabo)
over moeten beschikken is onder te verdelen in verschillende onderwerpen, namelijk:
1. Mondelinge taalvaardigheid
2. Woordenschat
3. Beginnende geletterdheid
4. Voortgezet technisch lezen
5. Begrijpend lezen
6. Stellen
7. Jeugdliteratuur
8. Taalbeschouwing
9. Spelling
Deze onderwerpen zijn weer verder te verdelen in:
1. De leerinhoud: dit is de kennis die de leerling moet hebben.
2. De domeindidactiek: dit is de manier waarop je de kennis overbrengt naar de leerlingen, oftewel
de vaardigheden die een leerkracht nodig heeft om goed te kunnen onderwijzen.
3. Het fundament: dit is de nodige achtergrondkennis over elk onderwerp, bijvoorbeeld een specifiek
leerproces of een efficiënte manier van lesgeven.
4. Taaldidactiek en taalbeleid: dit zijn de verschillende manieren om taal aan te leren en/ of een
taalbeleid op de basisschool te creëren.
1.3. Toetsing van de kennisbasis
In de landelijke taaltoets worden alleen de invalshoeken 1 en 3 zoals hierboven genoemd getoetst.
Het belangrijkste in deze toets is het kunnen toepassen of herkennen in praktijksituaties. Hiervoor
moet je de betekenis van bepaalde begrippen kennen én weten hoe dit in de praktijk functioneert.
1.4. Hoe gebruik je Basiskennis taalonderwijs?
Het is belangrijk om als eerste de begrippen te leren. Deze staan verspreid over alle hoofdstukken
vermeld. Deze begrippen moet je kunnen plaatsen in de context. Ook moet je het verschil met
verwante (tegenovergestelde) begrippen kunnen uitleggen. Als laatste moet je voorbeelden kunnen
noemen van een vaardigheid of begrip.
Achterin elk hoofdstuk van het boek staan vragen. Deze zijn bedoeld als controlemiddel om na te
gaan of je de stof beheerst. Bij minimaal 70% goed, beheers je de stof voldoende.
, 2. Taalonderwijs en taal
2.1. Taalonderwijs
Belang taalonderwijs
Waarom is het zo belangrijk dat kinderen op de basisschool zoveel bezig zijn met taalonderwijs? Ze
pakken dit immers grotendeels vanzelf op door hun omgeving en andere schoolvakken.
1. Kinderen leren schriftelijke taalvaardigheid niet vanzelf: kinderen leren wel spontaan spreken,
maar schrijven doen zij voornamelijk door middel van lees- en spellingsmethodes.
2. Niet alle kinderen kunnen zich zelfstandig een bepaald niveau van taalvaardigheid eigen maken:
veel kinderen spreken thuis een andere taal en beginnen daardoor met een grote taalachterstand op
de basisschool. Ook hebben sommige kinderen gewoon meer moeite met iets onder woorden
brengen, lezen of spellen.
3. Op school leer je een ander soort taalgebruik dan in het dagelijks leven: het Standaardnederlands
wordt aangeleerd op school, terwijl kinderen andere dingen horen in hun dagelijkse omgeving. De
regels en begrippen voor dit Standaardnederlands worden op school aangeleerd.
4. Bepaalde taalvormen leer je alleen met behulp van het taalonderwijs: in veel vakken is taal
alleen een communicatiemiddel, waarbij geen tijd wordt besteedt aan de verschillende taalvormen.
5. Als je kinderen plezier in het lezen van boeken wilt bijbrengen, dan moet je daar apart aandacht
aan besteden: boeken zijn voor kinderen heel belangrijk, om te leren over andere mensen en
culturen, maar ook om even weg te duiken in een (spannend) verhaal.
Taalonderwijs op de basisschool
1. Mondelinge taalvaardigheid: hier staat het spreken, luisteren en voeren van mondelinge
gespreksvormen centraal. Kinderen leren bijvoorbeeld vragen stellen, of op elkaar reageren.
2. Woordenschat: hier gaat het om het aanleren van de betekenis van nieuwe woorden,
uitdrukkingen, zegswijzen en spreekwoorden. Ook leren kinderen hoe ze achter een betekenis van
onbekende woorden kunnen komen.
3. Beginnende geletterdheid: dit betekent het vermogen om schriftelijke taal te begrijpen en
gebruiken. Ontluikende geletterdheid is de ontwikkeling in de voorschoolse periode (0-4 jaar).
Beginnende geletterdheid heeft betrekking op de groepen 1-3 van de basisschool. Een belangrijk
onderdeel hiervan is leren lezen, ook wel aanvankelijk lezen genoemd. Gevorderde geletterdheid is
alles daarna. Hier wordt gesproken van voortgezet lezen.
4. Voortgezet technisch lezen: dit gaat om het ontcijferen van de letters en hardop kunnen lezen,
maar ook om efficiënte leesstrategieën. De vlot- en nauwkeurigheid van lezen staat hier centraal,
niet begrijpen wat je leest.
5. Begrijpend lezen: hier staat het begrijpen wat je leest centraal. Dit is te achterhalen door gerichte
vragen te stellen over de tekst.
6. Stellen: dit is het schrijven van teksten. Kinderen moeten weten hoe je te werk gaat bij schrijven,
maar ook wat belangrijke regels en kenmerken zijn bij verschillende tekstsoorten.
7. Jeugdliteratuur: dit gaat om jeugdboeken, zowel informatief als fictief, waarbij kinderen in
aanraking komen met verschillende literaire genres. Hierdoor raken kinderen hopelijk gemotiveerd
tot zelfstandig lezen.
8. Taalbeschouwing: hier leer je kinderen reflecteren op de taalvorm, de manier waarop iets is
verwoord en het gebruik van taal. Het gaat erom dat kinderen bijzonderheden en regelmaat
ontdekken. Een belangrijk onderdeel is traditionele grammatica, het ontleden in zinsdelen en de
verschillende soorten woorden kunnen benoemen.
9. Spelling: hier staat het correct kunnen schrijven van de meest voorkomende woorden centraal.
Kinderen leren de belangrijkste spellingsregels toepassen. Hier hoort ook interpunctie bij.