Bedrijfseconomie H5 t/m 13 + 25 t/m 29
Hoofdstuk 25
Een handelsonderneming koopt goederen in om te verkopen met winst zonder
vormverandering toe te passen.
Inkoopprijs per artikel x de afzet (het aantal verkochte artikelen)
Omzet = afzet x verkoopprijs
Brutowinst = omzet - inkoopwaarde
Het verschil tussen de inkoopprijs en de verkoopprijs is de brutowinst.
Grondstoffen maken deel van het eindproduct, hulpstoffen zijn nodig om een product te
maken maar zie je niet terug in het eindproduct.
Duurzame productiemiddelen gaan meer dan 1 productieproces mee, gebouwen, machines
etc. je koopt hierdoor ook prestaties in de toekomst.
Bij de aanschafprijs berekenen we dus ook de bijkomende kosten zoals het installeren.
Afschrijven is het in de boekhouding vermelden van de waardevermindering van een
productiemiddel.
De grootte van de afschrijving op de productiemiddelen hangt af van:
- De waarde
- De levensduur
- De restwaarde
- Het gebruik
De levensduur hangt af van de technische levensduur, dat is de duur dat de machine
gebruikt wordt. En de economische levensduur, wanneer het goedkoper is een nieuwe aan
te schaffen door reparaties bijvoorbeeld.
De restwaarde is de geschatte opbrengst van het productiemiddel aan het einde van de
levensduur.
Afschrijving per periode: A – R/n
A = aanschafprijs
R = restwaarde
n = aantal periodes
De boekwaarde is het bedrag waarvoor het op de balans staat, aanschafprijs – afgeschreven
bedrag.
Complementaire kosten zijn alle kosten die samenhangen met het duurzame
productiemiddel op de afschrijvings- intrestkosten na bijv. reparatiekosten en energiekosten.
De personeelskosten van een onderneming bestaan uit:
- Brutolonen en salarissen
- Pensioenpremies
- Wettelijke sociale lasten
- Vrijwillige sociale lasten
Personeelskosten rekenen we om in een tarief per productief uur, het arbeidsuurtarief.
, Het factuurtarief per arbeidsuur bestaat uit het arbeidsuurtarief verhoogd met een opslag
voor niet gefactureerde kosten en winstopslag.
Interestkosten
Kosten van de grond doormiddel van belasting, interestkosten en waardevermindering van
bijvoorbeeld drainagesystemen.
Kosten van diensten van derden, schoonmaak of transportbedrijf
Kosten van belastingen
Overige kosten
Hoofdstuk 26
Elke onderneming moet omzetbelasting in rekening brengen over de producten en diensten
en deze afdragen aan de belastingdienst. De toegevoegde waarde is de waarde die een
bedrijf toevoegt aan een al bestaande waarde.
De toegevoegde waarde is de omzet (verkoopprijs) – de inkoopwaarde
Af te dragen BTW = ontvangen BTW – betaalde BTW
De aan de onderneming in rekening gebrachte omzetbelasting door leveranciers noemen we
vooraftrek.
Verkoopprijs (exclusief omzetbelasting) = inkoopprijs (100%) + winstopslag bijv. 40%
Brutowinst – kosten = nettowinst
Omzet = afzet x verkoopprijs per stuk
Winst = brutowinst - kosten
De verwachte/begrote winst noemen we de voorcalculatorische winst, na afloop noemen
we de nacalculatorische winst.
Het verschil tussen de interestkosten en de interestopbrengst noemen we het
financieringsresultaat, de interestkosten horen dan niet bij de bedrijfskosten.
Als we deze twee vergelijken kunnen we een verschillenanalyse maken.
Hoofdstuk 27
Hoofdstuk 25
Een handelsonderneming koopt goederen in om te verkopen met winst zonder
vormverandering toe te passen.
Inkoopprijs per artikel x de afzet (het aantal verkochte artikelen)
Omzet = afzet x verkoopprijs
Brutowinst = omzet - inkoopwaarde
Het verschil tussen de inkoopprijs en de verkoopprijs is de brutowinst.
Grondstoffen maken deel van het eindproduct, hulpstoffen zijn nodig om een product te
maken maar zie je niet terug in het eindproduct.
Duurzame productiemiddelen gaan meer dan 1 productieproces mee, gebouwen, machines
etc. je koopt hierdoor ook prestaties in de toekomst.
Bij de aanschafprijs berekenen we dus ook de bijkomende kosten zoals het installeren.
Afschrijven is het in de boekhouding vermelden van de waardevermindering van een
productiemiddel.
De grootte van de afschrijving op de productiemiddelen hangt af van:
- De waarde
- De levensduur
- De restwaarde
- Het gebruik
De levensduur hangt af van de technische levensduur, dat is de duur dat de machine
gebruikt wordt. En de economische levensduur, wanneer het goedkoper is een nieuwe aan
te schaffen door reparaties bijvoorbeeld.
De restwaarde is de geschatte opbrengst van het productiemiddel aan het einde van de
levensduur.
Afschrijving per periode: A – R/n
A = aanschafprijs
R = restwaarde
n = aantal periodes
De boekwaarde is het bedrag waarvoor het op de balans staat, aanschafprijs – afgeschreven
bedrag.
Complementaire kosten zijn alle kosten die samenhangen met het duurzame
productiemiddel op de afschrijvings- intrestkosten na bijv. reparatiekosten en energiekosten.
De personeelskosten van een onderneming bestaan uit:
- Brutolonen en salarissen
- Pensioenpremies
- Wettelijke sociale lasten
- Vrijwillige sociale lasten
Personeelskosten rekenen we om in een tarief per productief uur, het arbeidsuurtarief.
, Het factuurtarief per arbeidsuur bestaat uit het arbeidsuurtarief verhoogd met een opslag
voor niet gefactureerde kosten en winstopslag.
Interestkosten
Kosten van de grond doormiddel van belasting, interestkosten en waardevermindering van
bijvoorbeeld drainagesystemen.
Kosten van diensten van derden, schoonmaak of transportbedrijf
Kosten van belastingen
Overige kosten
Hoofdstuk 26
Elke onderneming moet omzetbelasting in rekening brengen over de producten en diensten
en deze afdragen aan de belastingdienst. De toegevoegde waarde is de waarde die een
bedrijf toevoegt aan een al bestaande waarde.
De toegevoegde waarde is de omzet (verkoopprijs) – de inkoopwaarde
Af te dragen BTW = ontvangen BTW – betaalde BTW
De aan de onderneming in rekening gebrachte omzetbelasting door leveranciers noemen we
vooraftrek.
Verkoopprijs (exclusief omzetbelasting) = inkoopprijs (100%) + winstopslag bijv. 40%
Brutowinst – kosten = nettowinst
Omzet = afzet x verkoopprijs per stuk
Winst = brutowinst - kosten
De verwachte/begrote winst noemen we de voorcalculatorische winst, na afloop noemen
we de nacalculatorische winst.
Het verschil tussen de interestkosten en de interestopbrengst noemen we het
financieringsresultaat, de interestkosten horen dan niet bij de bedrijfskosten.
Als we deze twee vergelijken kunnen we een verschillenanalyse maken.
Hoofdstuk 27