begrippen H1
1.1 Waar heb jij behoefte aan?
Alles wat je graag wilt hebben of nodig hebt
noem je behoeften.
Basisbehoeften heeft iedereen nodig, overige
behoeften maakt het leven prettiger.
Je hebt niet altijd genoeg middelen om in je
behoefte te voorzien: Schaarste
Middelen zijn wel vaak Alternatief aanwendbaar:
(de mogelijkheid hebben om een middel voor
verschillende dingen in te zetten.)
Als je producten koopt om in een behoefte te
voorzien, is dat consumeren. (goederen en
diensten)
Producten worden ondergedeeld in goederen
(tastbare producten) en diensten (activiteiten
waarmee je in iemands behoefte voorziet.)
1.2 Is kopen kiezen?
Vaste lasten: Uitgaven die je verplicht met een
vaste regelmaat doet. (bijv. hypotheek, gas en
water.)
Huishoudelijke uitgaven: uitgaven voor het
huishouden (bijv. eten, drinken, persoonlijke
verzorging, cadeautjes)
, Incidentele uitgaven: uitgaven die je niet vaak
doet. (bijv. auto, verbouwing, nieuwe meubels.
De inkomsten van een gezin bestaan meestal uit
arbeid, bezit of overdracht.
Alle inkomsten bij elkaar vormen je budget. Om je
budget goed op je uitgaven af te stemmen kun je
een begroting maken. Een overzicht van je
verwachte inkomsten en uitgaven. Dit overzicht
van je verwachte inkomsten en uitgaven in een
bepaalde tijd heet een begroting.
Als je je keuzemogelijkheid wilt weten van 2
producten dan kun je een budgetlijn maken.
Formule van week naar maand: weekbedrag
x 52 : 12
Formule van maand naar week:
maandbedrag x 12 : 52
Formule Budgetlijn: M=Px + Py
1.3 Heb je geld nodig om te ruilen?