Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Anatomie en fysiologie samenvatting (tentamen een 7)

Rating
-
Sold
-
Pages
30
Uploaded on
31-10-2021
Written in
2021/2022

goede samenvatting met nog een paar extra aantekeningen

Institution
Course

Content preview

ANATOMIE EN FYSIOLOGIE SAMENVATTING

H1 terreinverkenning

1.2 anatomie + fysiologie = functionele anatomie

Om de bouw te kunnen bestuderen en beschrijven werd het lichaam opengesneden en ontleed. Deze
activiteit wordt aangeduid met de term anatomie (ontleedkunde) afgeleid van ‘ana’ (uiteen) en
‘temein’ (snijden). Anatomie houdt zich bezig met de bouw van het menselijk lichaam.

De wetenschap van het functioneren van een levend organisme wordt aangeduid met de term
fysiologie, afgeleid van de Griekse woorden ‘phusis’ (natuur) en ‘logos’ (leer). Voorbeelden van
fysiologische gegevens zijn: bloeddruk, spierkracht, ademfrequentie, hersenactiviteit of
samenstelling van de urine.

1.2.1 Functionele anatomie

Vorm en bouw zijn bepalend voor functiemogelijkheden. Andersom heeft de functie van een orgaan
ook invloed op de bouw ervan.

Bouw en functie zijn dynamische variabelen, die elkaar beïnvloeden en zeer nauw samenhangen. Je
kunt ze onderscheiden maar niet van elkaar scheiden. De combinatie van anatomie en fysiologie
wordt daarom aangeduid met het begrip functionele anatomie. Functionele anatomie behandelt de
bouw van het menselijk lichaam in directe relatie met de lichaamsfuncties.

1.2.2 Onderzoeksmethoden

Bij inspectie observeer je systematisch de buitenkant van het lichaam. Hoe is de kleur? Hoe beweegt
de persoon?

Bij palpatie tast je met de handen en vingers het lichaamsoppervlak op zo’n manier af dat je iets te
weten komt over dieper gelegen structuren. Zijn er verhardingen in het weefsel te voelen? Heeft de
lever normale afmetingen? Is de frequentie van de hartslag normaal?

Bij percussie klop je aan de buitenkant op een deel van het lichaam om uit de hoogte van de toon
een indruk te krijgen van de toestand van het onderliggende weefsel. Is het hart vergroot?

Bij auscultatie luister je met een stethoscoop naar geluiden die door het lichaam geproduceerd
worden. Hoe stroomt de lucht door de longen tijdens het ademen?

Bij laboratoriumonderzoek worden weefsels en vloeistoffen, zoals bloed, speeksel of urine
onderzocht. Welke stoffen zitten er in de urine?

Voorbeelden van moderne technologie:

Het röntgenapparaat maakt het mogelijk om door middel van röntgenstraling opnamen te maken
van de botten in het lichaam. Botten absorberen de straling niet, daarom op de foto lichten de
botten wit op.

Bij computertomografie (CT-scan) wordt ook röntgenstraling toegepast. Hierbij kunnen ook de
zachtere weefsels zichtbaar worden gemaakt.

Met een angiografie kan men afwijkingen in de hartholten en bloedvaten opsporen. Dit d.m.v. een
contrastvloeistof die in de bloedbaan is gespoten. Hierdoor worden ze zichtbaar op een röntgenfoto
dit wordt een angiogram genoemd.

,Bij magnetic resonance imaging (MRI) wordt de te onderzoeken persoon in een tunnel geschoven
die een zeer sterke magneet bevat, waarmee de waterstofatoomkernen in het lichaam
gemagnetiseerd worden. Deze kernen gaan zich als minimagneetjes gedragen en draaien t.o.v. de
grote magneet in een bepaalde richting. Tegelijkertijd worden vanuit de tunnel radiogolven
uitgezonden waardoor de waterstofatoomkernen gaan meetrillen (resoneren). Zodra de radiogolven
gestopt worden, geven de waterstofatoomkernen de trillingsenergie af als signalen. De computer kan
deze signalen omrekenen in doorsneden, die bepaalde eigenschappen van de structuren en weefsels
weergeven. Lucht en weefsels die weinig of geen water bevatten geven geen signaal af en zien er op
de MRI-scan zwart uit.

Echografie of echoscopie is beeldvormend onderzoek met behulp van ultrageluidstrillingen. Hierbij
worden via een sonde hoogfrequente geluidsgolven het lichaam ingezonden. Deze golven worden
door organen en weefsels weerkaatst en geregistreerd. De computer zet deze om in beeld.

Bij doppleronderzoek wordt ook gebruikgemaakt van hoogfrequente geluidsgolven. Hiermee kunnen
vooral de stroomrichting en stroomsnelheid van het bloed worden geregistreerd.

Endoscopie is de verzamelnaam voor alle onderzoeken waarbij gebruik wordt gemaakt van een
optische sonde. Dit is een flexibele staaf, voorzien van een minicamera. Met deze endoscoop kunnen
vrijwel alle holle organen en de grote gewichten van binnen worden bekeken.

Laryngoscopie Strottenhoofd en stembanden
Bronchoscopie Luchtwegen
Gastroscopie Maag
Coloscopie Dikke darm
Cytoscopie Blaas
Hysteroscopie Baarmoeder
Laparoscopie Buikholte
Artroscopie Gewrichten

ECG (elektrocardiogram) = gegevens over de hartactiviteit

EEG (elektro-encefalogram) = gegevens over de hersenactiviteit

EMG (elektromyogram) = gegevens over de spieractiviteit

1.4.1 Standaardisatie en verschillen

De standaardmens in de functionele anatomie heeft de volgende kenmerken:

- Mannelijke
- 25 jaar oud
- 1,75 m
- 70 kg
- Gemiddelde lichaamsbouw
- Gezond

1.4.2 terminologia anatomica

Internationale naamgeving = Terminologia Anatomica

Deze terminologie is deels gebaseerd op het Latijn maar ook uit het Oudgrieks.

,1.4.3 afkortingen

a. = arteria (slagader)
v. = vena (ader)
n. = nervus (zenuw), voor (aftakkingen van) zenuwen
m. = musculus (spier)

1.5 holistische benadering

Analyse = ontleding in bestanddelen

Een scheikundige verbinding is meer dan alleen de atomen die erin voorkomen. Het samenhangend
geheel is in veel gevallen meer dan de som van de delen. Ook het menselijk lichaam is niet, zoals een
machine, helemaal uit elkaar te halen en vervolgens weer in elkaar te zetten. Alle verbinden zouden
onherstelbaar zijn verbroken en de dood zou onherroepelijk zijn ingetreden. In A en F wordt
veelvuldig analyse toegepast, dat wil zeggen ontleding in bestanddelen.

Analyse maakt bespreking en bestudering mogelijk. Wanneer door analyse bepaalde gegevens
beschikbaar komen moeten deze gerelateerd worden aan het leven:

- Levende organismen nemen voedingsstoffen op voor de energiestofwisseling, de
bouwstofwisseling en het herstel. Een levend organisme heeft de drang tot zelfhandhaving
als iets kapotgaat.
- Levende organismen hebben de drang tot soort handhaving, dat wil zeggen: zorgen voor
nageslacht door middel van voortplanting
- Bij ‘leven’ is er sprake van reactie vermogen, beweging en ontwikkeling (groeien, rijpen en
leren).

Het menselijk lichaam is ontstaan uit één cel. Door ontelbare celdelingen zijn alle weefsels, organen
en orgaanstelsels ontstaan.

Ziel is (psyche) en lichaam (=soma)

De mens is een psychosomatische eenheid en bij uitstek een sociaal wezen. Het bestuderen van de
‘onderdelen’ van de mens moet er steeds op gericht zijn de mens in zijn totaliteit (psychisch,
somatisch, sociaal) beter te begrijpen. Deze gerichtheid op het totaal wordt de holistische
benadering genoemd. We passen daarbij synthese toe: kennis en inzicht worden samengevoegd tot
een ondeelbaar geheel.

HOOFDSTUK 2 CELLEN

Cellen zijn zowel de basis bouwstenen (anatomische term) als de fundamentele
stofwisselingseenheden (fysiologische term) van een organisme. Cellen hebben de kenmerken van
het leven zoals, ademhaling, stofwisseling en reacties op veranderingen in de omgeving.

2.1 metabolisme

De cel is de kleinste stofwisselingseenheid van het lichaam. Met metabolisme worden alle
biochemische reacties bedoeld die in de cellen kunnen plaatsvinden. Er zijn twee typen biochemische
reacties:

Anabole reacties: worden kleine moleculen samengevoegd tot grotere. Deze reacties kosten energie.
Deze worden meestal gebruikt voor groei, onderhoud en reparatie van weefsels. Daarom noem je dit
soort stofwisseling opbouwstofwisseling (assimilatie).

, Bij katabole reacties worden grotere moleculen afgebroken tot kleinere. Bij deze reacties komt
energie vrij die gebruikt kan worden voor de opbouwstofwisseling (assimilatie) of andere energie
vragende processen zoals beweging en warmteproductie. Omdat er sprake is van afbraak van stoffen
wordt dit soort stofwisselingsreacties aangeduid met afbraakstofwisseling (dissimilatie).

Verbranding

Bij verbranding reageert een energierijke stof (De brandstof) met zuurstof. Er is altijd zuurstof bij
nodig daarom wordt verbranding aerobe dissimilatie (MET ZUURSTOF) genoemd. Verbranding in de
cel wordt ook vaak celademhaling genoemd. Het doel van verbranding in de cel is het vrijmaken van
energie. Hiermee kan de cel allerlei activiteiten uitvoeren.

De brandstof voor verbranding is meestal glucose. Na verbranding ontstaat behalve energie ook
afvalstoffen. Dat zijn o.a. koolstofdioxide en water. Koolstofdioxide is een afvalgas; wij ademen het
uit. Het water wordt meestal in de cellen hergebruikt.

Formule verbranding glucose:

Glucose + zuurstof -> energie + water + co2

De verbranding van vetten in formule:

Vetten + zuurstof -> energie + water + co2 + afvalstoffen

Soms is er in de cel geen zuurstof voorhanden, maar is er toch behoefte aan energie. Dan schakelt de
cel over op afbraak van energierijke stoffen, zonder dat daarbij zuurstof gebruikt wordt. Dat noem je
anaerobe dissimilatie (ZONDER ZUURSTOF). Hierbij komen wel meer afvalstoffen vrij:

De anaerobe dissimilatie in formule:

Glucose -> energie + melkzuur + water

Anaerobe dissimilatie gebeurt onder andere in de spieren als ze veel arbeid moeten verrichten en de
ademhaling niet voldoende zuurstof aan de cellen beschikbaar stelt.

Energie

Verbranding in de cellen gebeurt continue. Hierdoor beschikt de cel voortdurend over energie. De
stof die energie kan ‘opladen’ heet adenosinedifosfaat (ADP). Zodra er energie door de verbranding
ontstaat kan er een derde fosfaatmolecuul aan ADP worden gebonden. Dan heet de stof
adenosinetrifosfaat ofwel ATP. Tegelijk met het fosfaatmolecuul wordt energie opgeslagen. Die
derde fosfaatbinding noem je dan ook een energierijke binding. ADP is dan opgeladen en ATP
bewaar de energie als een soort van accu.

De vorming van ATP:

ADP + P + energie -> ATP

De ATP-moleculen kunnen zich overal in de cel bevinden. Zodra ergens in de cel energie nodig is,
wordt het derde fosfaatmolecuul losgekoppeld en komt die energie vrij.

Formule: ATP -> ADP + P + energie

Enzymen

Alle biochemische reacties vinden plaats met behulp van reactieversnellers: enzymen

Connected book

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Summarized whole book?
No
Which chapters are summarized?
H1 t/m h6.7 (h5.1 alleen)
Uploaded on
October 31, 2021
File latest updated on
October 31, 2021
Number of pages
30
Written in
2021/2022
Type
SUMMARY

Subjects

$7.17
Get access to the full document:

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Get to know the seller
Seller avatar
melissahoekstra9

Get to know the seller

Seller avatar
melissahoekstra9 Hanzehogeschool Groningen
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
-
Member since
5 year
Number of followers
0
Documents
1
Last sold
-

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions