Een cel bestaat onder andere uit een celkern.
● In de celkern zit erfelijke informatie opgeslagen in DNA-moleculen in
chromosomen in de celkern.
● Van een deel maakt de cel een kopie in de vorm van RNA. (Dit is nodig om
eiwitten te kunnen maken)
● Een celkern heeft cel poriën.
● RNA kan de kern uit via de kern/cel poriën en vervolgens gaat het naar het
cytoplasma.
● In de ribosomen wordt het RNA afgelezen en zo worden eiwitten gemaakt.
Ontstaan van eiwitten
celkern
Ribosomen
● De losse ribosomen zitten in het cytoplasma.
● De ribosomen zitten aan het Endoplasmatisch Reticulum (E.R) op de
membranen.
● Elk eiwit heeft een eigen ‘adreslabel’ zodat duidelijk is waar het eiwit heen
moet.
Endoplasmatisch Reticulum (E.R)
● Een netwerk van dubbele membranen in de vloeistof (cytoplasma).
● Functie: Transportsysteem voor stoffen in de cel.
● Er liggen vaak ribosomen op (Ruw E.R vs Glad E.R).
● Ruw E.R komt door de ribosomen die op de membranen liggen.
● In het glad E.R worden onder andere vetten gemaakt en worden in de
levercellen de giftige stoffen onschadelijk gemaakt.
Bladgroenkorrels = Chloroplasten
Mitochondriën = Energievoorziening
Glucose wordt met behulp van zuurstof verbrand.